Menu

Blog

 

Over wetten en regels raken wij niet uitgepraat. Aan elke wet zit onlosmakelijk een discussie vast. Onze advocaten en belastingkundigen houden zich graag bezig met ontwikkelingen en interessante casussen in hun eigen rechtsgebied. Dit vertalen zij naar actuele, openhartige blogs.

UPDATE: Wetsvoorstel transitievergoeding

07.07.2017 | Mike Timmer - 0 reactie(s)

 

In de vorige Round# schreven wij over het Wetsvoorstel transitievergoeding bij ontslag wegens onder andere langdurige arbeidsongeschiktheid. Het wetsvoorstel was er op gericht de kosten die een werkgever heeft “moeten” maken in verband met het betalen van de transitievergoeding aan een langdurig (na twee jaar arbeidsongeschiktheid en binnen 26 weken geen herstel te verwachten) arbeidsongeschikte werknemer te compenseren door een vergoeding te betalen uit het Algemeen werkloosheidsfonds. Een en ander met het doel om de samenloop van de financiële verplichtingen van werkgevers te reduceren. Het was de bedoeling dat de wet op 1 januari 2019 zou worden ingevoerd en betrekking zou hebben op de transitievergoedingen die op of na 1 juli 2015 zijn betaald.   Wat wordt gewijzigd? De Raad van State heeft inmiddels geadviseerd om het wetsvoorstel aan te passen. Met name omdat het wetsvoorstel de oorzaak van het probleem (de genoemde samenloop) niet oplost. Daarnaast is onder andere opgemerkt dat de voorgestelde regeling naar verwachting duur (structureel € 180 mln, incidenteel € 970 mln) zal zijn. Ook om deze te laten uitvoeren (kosten nog niet bekend). Kort en goed komt het er op neer dat de Raad van State vindt dat er niet moet worden gekozen voor een lapmiddel, maar voor een echte oplossing die de cumulatie wegneemt. De Minister van SZW rapporteerde op 16 maart 2017 aan het Kabinet. De argumenten die in het rapport zijn gekozen, zijn gelijk aan de argumenten die gebruikt zijn tijdens de behandeling van de Wet werk en zekerheid. Argumenten waarvan de Raad in haar advies heeft aangegeven dat die niet zonder meer overtuigen. De conclusie is dat SZW geen aanleiding ziet om de voorgestelde vergoedingsregeling te heroverwegen.  Recent is het wetsvoorstel, vanwege het demissionair worden van Rutte II, controversieel verklaard. Dat betekent dat de behandeling daarvan wordt opgeschort tot er een nieuw kabinet is.    Wanneer wordt de wet wél ingevoerd? Of, en zo ja, wanneer de wet wordt ingevoerd, is ten tijde van het schrijven van dit blog onzeker. Duidelijk is wel dat de invoering in ieder geval niet op 1 januari 2019 zal plaatsvinden. Het UWV heeft ongeveer 1,5 jaar nodig om de uitvoering van de wet mogelijk te maken. Het advies uit de vorige Round# blijft staan. Administreer goed aan welke langdurig zieke werknemer een transitievergoeding is betaald en hoeveel (met bewijsstukken) er is betaald. Zolang geen zekerheid bestaat over de vergoedingsregeling kan de werkgever er natuurlijk ook voor kiezen om de arbeidsovereenkomst in stand te laten. Het is wel zaak om daarover op de juiste manier met de werknemer te communiceren.   Mocht u als werkgever vragen hebben, neem dan contact op met één van onze arbeidsrechtspecialisten.

 

 

Lees verder

Wet uiterste betaaltermijn van zestig dagen

07.07.2017 | Bjorn Harbers - 0 reactie(s)

 

Op 1 juli 2017 is de ‘Wet uiterste betaaltermijn van zestig dagen voor grote ondernemingen’ in werking getreden. Het is voor grote ondernemingen niet meer toegestaan om een betalingstermijn langer dan 60 dagen te hanteren als het een factuur van een MKB-leverancier betreft. Het doel van de wetgever is om onredelijk lange betalingstermijnen tegen te gaan.   Uitgangspunt: 30 dagen leidend Veel MKB-leveranciers zijn in de afgelopen jaren in financiële problemen gekomen, doordat grote afnemers een (veelal onredelijk) lange betalingstermijn hanteerden. Feitelijk werden MKB-leveranciers gedwongen hiermee akkoord te gaan. Het uitgangspunt bij de nieuwe wetgeving is dat betalen binnen 30 dagen leidend is. In onderling overleg mag een betalingstermijn van langer dan 30 dagen worden afgesproken, mits de ontvangende partij in dat geval geen schade ondervindt.   Het hanteren van een betalingstermijn langer dan 60 dagen tussen een grote onderneming (als afnemer) en een MKB-leverancier is vanaf 1 juli 2017 in strijd met de wet en om die reden nietig. Wordt een dergelijke afspraak toch gemaakt, dan wordt de betalingstermijn van rechtswege omgezet naar een betalingstermijn van 30 dagen.   Overgangsregeling tot 1 juli 2018 Voor op 1 juli 2017 al bestaande overeenkomsten gaan de nieuwe regels gelden vanaf 1 juli 2018. Dit geeft de ondernemers voor wie deze gewijzigde regelgeving geldt de gelegenheid om voor die tijd lopende contracten aan te passen. Ook kunnen zij gehanteerde (inkoop)voorwaarden die in strijd zijn met de huidige wetgeving aanpassen.   Wettelijke handelsrente per half jaar vastgelegd De geldende betalingstermijn is onder meer van belang voor de vraag vanaf welk moment de schuldenaar in verzuim is. Dat bepaalt het moment waarop contractuele of wettelijke (handels)rente kan worden gevorderd. De wettelijke handelsrente die verschuldigd is in geval van transacties tussen ondernemingen of tussen ondernemingen en overheidsinstanties, wordt telkens voor een half jaar vastgesteld. Ten tijde van het schrijven van deze blog is dit 8%.   Advies in correcte vastlegging? Bent u benieuwd of de door u gehanteerde betalingstermijn(en) nog geldig zijn? Of wilt u advies over de correcte vastlegging van afspraken in een overeenkomst of het aanpassen van uw algemene voorwaarden? Neem gerust contact op met één van onze specialisten op het gebied van contractenrecht.

 

 

Lees verder

Zorgvastgoed

07.07.2017 | Fokke Voerman - 0 reactie(s)

 

Belang cliënt, zorginstelling en vastgoedinvesteerder Van marktwerking in de zorg kijken we niet meer op. De overheid stimuleert en eist zelfs dat wonen en zorg gescheiden worden zodat mensen met een zorgbehoefte langer thuis kunnen wonen. Dit drukt niet alleen de zorgkosten, maar leidt er ook toe dat mensen naast een zorgovereenkomst ook een huurovereenkomst dienen te sluiten. De gevolgen hiervan voor een huurder/cliënt, de zorginstelling en de investeerder in zorgvastgoed, worden hierna op hoofdlijnen geschetst.   Samenhang tussen zorgverlening en wonen Ondanks de bedoeling van de wetgever wordt de wettelijke scheiding van wonen en zorg vaak teniet gedaan door contractuele bepalingen. Een zorginstelling die zelf een pand huurt (hoofdhuurovereenkomst) en vervolgens onderverhuurt (onderhuurovereenkomst) aan haar cliënten wil voorkomen dat haar voormalige cliënt blijft wonen zonder gebruik te maken van zorgverlening na beëindiging van de zorgovereenkomst. Dit gezien vanuit het oogpunt van een goede en sluitende exploitatie.   Huurwoning onderdeel van de totale zorgbehandeling In de rechtspraak is aanvaardbaar geacht dat een dergelijke onderhuurovereenkomst eindigt wanneer ook de zorgovereenkomst eindigt. Cruciaal daarbij is dat er een onlosmakelijk verband (koppelbeding) bestaat tussen de zorgovereenkomst en de huurovereenkomst en/of dat de woning slechts beschikbaar is als onderdeel van de totale zorgbehandeling (het zorgelement overheerst). De cliënt/huurder heeft in dat geval geen recht op huurbescherming.   Wanneer niet aan de eisen uit de jurisprudentie wordt voldaan, kan de zorginstelling geconfronteerd worden met een cliënt/huurder die een beroep kan doen op huurbescherming nadat de zorgovereenkomst geëindigd is.   Verschillende regimes hoofdhuurovereenkomst en onderhuurovereenkomst De investeerder in zorgvastgoed die een pand verhuurt aan een zorginstelling heeft er evenzeer belang bij dat in de onderhuurovereenkomst het zorgelement overheerst. Als het zorgvastgoed in overwegende mate door de zorginstelling wordt onderverhuurd als reguliere woonruimte, bestaat het risico dat de hoofdhuurovereenkomst qua juridisch karakter wijzigt. Deze kan wijzigen van een huurovereenkomst “overige bedrijfsruimte” naar een huurovereenkomst aangaande woonruimte. Het regime van de onderhuurovereenkomst beïnvloedt dus het juridische karakter van de hoofdhuurovereenkomst.    De gevolgen hiervan zijn dat er voor de investeerder ten opzichte van de zorginstelling specifieke opzeggings-gronden, de wettelijke systematiek voor huuraanpassing en aansprakelijkheid voor bepaalde vormen van onderhoud gaan gelden.   Dwarsboming exploitatie van zorgvastgoed Veel investeerders in zorgvastgoed hebben een grote behoefte te beschikken over een hoge mate van contractsvrijheid, zonder gebonden te zijn aan het huurregime voor woonruimte. Naast de zorginstelling heeft óók de investeerder in zorgvastgoed er groot belang bij dat tussen zorginstelling en voormalig cliënt geen huurovereenkomst woonruimte resteert na beëindiging van de zorg- of behandelingsovereenkomst. Hierdoor zou immers de hoofdhuurovereenkomst juridisch van karakter kunnen veranderen, wat de beoogde exploitatie van het zorgvastgoed ernstig kan dwarsbomen.    Wees alert en waakzaam BAX advocaten belastingkundigen staat investeerders in zorgvastgoed, zorginstellingen én huurders bij in vele huurrechtelijke kwesties. Ook hier geldt dat voorkomen beter is dan genezen. Een goed juridisch advies kan contractuele weeffouten in het prilste stadium voorkomen en uitsluiten. Onze specialisten zijn u daarbij graag van dienst!

 

 

Lees verder

Transitievergoeding, hoe zit het ook alweer?

04.04.2017 | Vincent Jongerius - 0 reactie(s)

 

In eerdere nieuwsbrieven hebben we aandacht besteed aan de transitievergoeding. In de praktijk merken wij dat er nog steeds veel vragen zijn over deze vergoeding. Vandaar dat ik in deze blog in vogelvlucht nog eens aandacht besteed aan dit relevante onderwerp.   Wanneer is een transitievergoeding verschuldigd? Kort gezegd is een transitievergoeding verschuldigd als het dienstverband eindigt en deze twee jaar heeft geduurd. Voorwaarde is dat de werkgever het initiatief heeft genomen voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De hoogte van de transitievergoeding De leeftijd van de werknemer en de lengte van het dienstverband zijn bepalend voor de hoogte van de transitievergoeding. Voor de eerste 10 jaar van het dienstverband is de werkgever 1/3 maandsalaris per dienstjaar verschuldigd en voor de daaropvolgende jaren een 1/2 maandsalaris. De transitievergoeding is aan een maximum gebonden en in 2017 is dat maximum gesteld op € 77.000 of, als de uitkomst van de berekening meer bedraagt dan  € 77.000, op één jaarsalaris. Werknemers die 50+ zijn Indien de werkgever het initiatief neemt voor de beëindiging van het dienstverband met een werknemer die ouder is dan 50 jaar en die minimaal 10 jaar in dienst is, dan geldt voor elk dienstjaar dat de werknemer ouder is dan 50 jaar een vergoeding van een volledig maandsalaris per dienstjaar. Over de dienstjaren dat de werknemer nog jonger dan 50 jaar was, geldt de normale berekening, zoals hiervoor genoemd. Uitzonderingen De transitievergoeding is niet verschuldigd als:   de werknemer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld; de werkgever failliet gaat; de werknemer bij beëindiging van het dienstverband jonger is dan 18 jaar en maximaal 12 uur per week werkt; het dienstverband eindigt wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. Ik merk hierbij op dat in een hoger beroepsprocedure bij het Hof Den Bosch een zaak speelt, waarbij een werknemer stelt dat hij, ondanks de beëindiging van het dienstverband op zijn AOW-leeftijd, toch aanspraak heeft op de transitievergoeding, omdat er sprake zou zijn van (verboden) leeftijdsdiscriminatie. Het Hof heeft vragen gesteld aan de Hoge Raad over deze zaak en het is dus afwachten of de Hoge Raad de mening van deze werknemer al dan niet deelt. Beëindiging van de arbeidsovereenkomst na twee jaar ziekte Indien de werkgever het initiatief neemt voor de beëindiging van het dienstverband na twee jaar ziekte van de werknemer is de transitievergoeding ook verschuldigd. Veel werkgevers laten om die reden het dienstverband “slapend” voortduren, omdat er in veel gevallen na twee jaar ziekte geen loondoorbetalingsplicht meer bestaat. De wetgever is voornemens om deze transitievergoeding, die door werkgevers aan werknemers wordt voldaan na twee jaar ziekte, met terugwerkende kracht aan de werkgever te restitueren. Deze wet zal, naar het nu laat aanzien, op zijn vroegst worden ingevoerd op 1 januari 2019. In de praktijk Wij merken in de arbeidsrechtpraktijk dat als een werkgever, om welke reden dan ook, voornemens is het dienstverband met een werknemer te beëindigen, er in veel gevallen een vaststellingsovereenkomst wordt gesloten. In deze overeenkomst wordt dan onder meer de datum van de beëindiging van het dienstverband, alsmede de hoogte van een beëindigingsvergoeding vastgesteld. Deze vergoeding komt dan in de plaats van de transitievergoeding. De transitievergoeding geeft - behoudens ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer - in veel gevallen de ondergrens aan. Voor partijen geeft dit voordelen. Zo hoeft niet het UWV of de rechtbank sector kanton te worden ingeschakeld, doet dit geen afbreuk aan de sociaal verzekeringsrechtelijke aanspraken van een werknemer en is er voor beide partijen duidelijkheid. Wij helpen u graag! De transitievergoeding is in ons Burgerlijk Wetboek opgenomen bij de inwerkingtreding van de WWZ. Eén van de gedachten achter deze wetgeving was om het ontslagrecht te vereenvoudigen. Wij merken dat het maar gedeeltelijk is gelukt. Indien de reden voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst verband houdt met het niet goed functioneren van de werknemer of met een verstoorde arbeidsverhouding, dan is de beëindiging van het dienstverband echter aanzienlijk lastiger dan voor inwerkingtreding van de WWZ. Uiteraard helpen wij u graag bij het geschikt maken van de situatie voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst!

 

 

Lees verder

Tussen wal en schip in het verzekeringsrecht

04.04.2017 | Annemieke Wiltink - 0 reactie(s)

 

De zorgplicht van adviseurs blijft in ontwikkeling. Zo ook die van de assurantietussenpersoon. Hoewel de rechtspraak rondom het oversluiten van aansprakelijkheidsverzekeringen beperkt is, speelt dit onderwerp in de praktijk regelmatig. Oorzaak daarvoor is dat in Nederland veel aansprakelijkheidsverzekeringen een zogeheten “claims made systeem” kennen. Dit houdt in dat een aansprakelijkheidsverzekering alleen dekking biedt voor aanspraken die tijdens de looptijd van de verzekering bij de verzekerde zijn ingesteld of voor omstandigheden die tijdens de looptijd worden ontdekt én binnen de looptijd bij die verzekeraar zijn gemeld. Dit kan problemen geven bij de overstap naar een andere verzekering, omdat een nieuwe verzekering in de regel geen dekking biedt voor reeds bekende aanspraken en omstandigheden. Indien een verzekerde een bekende aanspraak of omstandigheid niet tijdig meldt bij zijn oude verzekeraar, kan een verzekerde dus tussen wal en schip belanden. Een klant (verzekerde) spreekt daarvoor in de praktijk niet zelden zijn assurantietussenpersoon aan. Maar is dat terecht? In de praktijk Een dergelijke situatie speelde bij het Gerechtshof te Amsterdam op 28 juni 2016 (ECLI: NL: GHAMS: 2016:2492). In deze zaak was de klant een bedrijf dat handelde in deursystemen. Zij was in 2006 aansprakelijk gesteld voor een ongeval met een van haar deursystemen. De aansprakelijkheidsverzekering liep af in juni 2007. De assurantietussenpersoon meldde het ongeval pas in juli 2007 bij zowel de oude verzekeraar, als de nieuwe verzekeraar. De oude verzekeraar kon de aanspraak weigeren, omdat deze pas na het eindigen van de verzekering werd gemeld, terwijl de nieuwe verzekeraar dekking kon weigeren, omdat het voorval niet onder de inloopdekking viel. De klant sprak daarom zijn (nieuwe) assurantietussenpersoon aan, met het verwijt dat deze reeds vóór het aflopen van de oude verzekering had moeten wijzen op het belang van het tijdig melden van reeds bekende schadegevallen. Relevant daarbij was dat op het polisblad van de oude verzekering duidelijk vermeld stond wanneer de verzekering zou aflopen én dat er geen dekking zou bestaan voor aanspraken of omstandigheden die na het aflopen van de verzekering nog gemeld zouden worden. (Mede) vanwege dit feit, kreeg de klant in eerste instantie nul op het rekest. De klant werd dus verondersteld op de hoogte te zijn van deze bepalingen. In hoger beroep had de klant wel succes.   Het Hof overwoog onder andere: “Een claims made – verzekering brengt voor de verzekeringnemer het risico mee dat tijdens de looptijd van de verzekering opgekomen schades niet onder de dekking van de verzekering vallen, omdat zij niet voor het einde van de looptijd van de verzekering zijn gemeld. Aldus dreigt voor de verzekeringnemer zoals [de klant], van wie het einde van de looptijd van een claims made verzekering nadert en die een opvolgende AVB-verzekering wenst, een dekkingshiaat. De [assurantietussenpersoon] wordt als professionele assurantietussenpersoon geacht met dit risico bekend te zijn.” Omdat de assurantietussenpersoon tot taak had de verzekeringsportefeuille te beheren en voor de aflopende verzekering een nieuwe verzekering tot stand te brengen, oordeelde het Hof dat de assurantietussenpersoon erop had moeten toezien dat bij de oude verzekeraar alle meldingen tijdig zouden worden gedaan om zodoende het later ontbreken van dekking te voorkomen. Nu de assurantietussenpersoon dit had verzuimd, ging het betoog van de assurantietussenpersoon dat het primair aan de klant was om het ongeval tijdig te melden, niet op. De assurantietussenpersoon, was aansprakelijk voor de geleden schade. Alert en onderzoekend handelen Een assurantietussenpersoon dient bij een overstap van een aansprakelijkheidsverzekering dus alert en onderzoekend te handelen. Hierbij speelt uiteraard een rol dat het gaat om een potentieel groot gevaar (namelijk het in het geheel ontbreken van dekking) dat ook beroepshalve bekend is (althans moet zijn) bij assurantietussenpersonen. Het oordeel van het Hof Amsterdam lijkt echter vooral te zijn ingegeven door het risico dat een klant zich onvoldoende bewust is van de vergaande consequenties bij het niet tijdig melden van een aanspraak of een omstandigheid aan de verzekeraar. Dat risico lijkt volgens het Hof zelfs te kunnen bestaan, indien de bewoordingen van een polisblad of de polisvoorwaarden op het eerste oog vrij duidelijk zijn. Wij helpen u graag! Bent u tussenpersoon, hebt u als verzekerde te maken met een afwijzing van een claim door uw verzekeraar of wilt u meer informatie? Onderzoek welke mogelijkheden u hebt en neem contact met ons op!

 

 

Lees verder

Schijnlening

04.04.2017 | Jeroen Aalberts - 0 reactie(s)

 

De DGA die behoefte heeft aan financiële armslag kan zijn salaris verhogen. Daar betaalt hij dan wel direct (maximaal) 52% belasting over. Hij kan zichzelf ook een dividend toekennen. Ook daar moet hij belasting over betalen. In die zin mag het dan ook geen verbazing wekken dat er door de DGA vaak voor wordt gekozen om te lenen van de BV. Daarover is immers geen belasting verschuldigd. Of toch wel? In de praktijk In beginsel is er niets mis met lenen van de BV mits het geleende op enig moment aan de BV wordt terugbetaald. Vaak gebeurt dat echter niet en loopt de schuld aan de BV alleen maar verder op. Bijvoorbeeld doordat de daarover verschuldigde rente niet daadwerkelijk wordt betaald, maar wordt bijgeschreven op de hoofdsom. De Belastingdienst kan dat aangrijpen om te stellen dat de DGA zijn salaris moet verhogen. Of erger, ingeval de DGA een pensioen heeft verzekerd bij zijn eigen BV, dat hij al een greep heeft gedaan uit de pensioenpot. Dat kan namelijk worden gezien als afkoop van het pensioen en betekent dat direct 72% (!) belasting verschuldigd is over de volledige waarde ervan. Fiscale risico’s Onbeperkt lenen van de BV is dus zeker niet zonder fiscale risico’s. Zeker niet wanneer op voorhand al duidelijk is dat aflossing waarschijnlijk niet kan/zal plaatsvinden. Er kan dan sprake zijn van een zogenoemde schijnlening. Gevolg; het geleende wordt alsnog als dividend gezien en als zodanig belast.   Om dit (mogelijk jaren geleden reeds ontvangen/genoten) dividend in de heffing te betrekken, zal de Belastingdienst veelal navorderingsaanslagen moeten opleggen. Dat kan echter niet zomaar. Voor navorderen heeft de Belastingdienst namelijk in beginsel slechts 5 jaar de tijd en moet de Belastingdienst bovendien (uitzonderingen daargelaten) beschikken over een zogenoemd “nieuw feit”. Dat is een feit dat de Belastingdienst niet eerder bekend was of bekend had kunnen zijn. Als de belastinginspecteur redelijkerwijs had kunnen weten dat sprake was van een schijnlening, maar daar niet naar heeft gehandeld door in de fiscale aangiften de schuld van de DGA aan de BV niet ter discussie te stellen, kan het voor hem lastig zijn daar later op terug te komen met het opleggen van navorderingsaanslagen. Dat zou kunnen betekenen dat de DGA het geleende definitief onbelast heeft ontvangen en bovendien ten onrechte aftrek van zijn schuld aan de BV in Box 3 heeft genoten. Juistheid van de aangiften Het vorenstaande kan tot lastige discussies met de Belastingdienst leiden. Zeker wanneer een lening aanvankelijk als een echte lening kwalificeerde en in de loop der tijd meer en meer het karakter heeft gekregen van een schijnlening. Achteraf is een en ander vaak wel duidelijk. Op het moment waarop de belastingaangiften worden verzorgd en op basis daarvan door de Belastingdienst vervolgens aanslagen worden opgelegd, echter vaak nog niet. Daarbij komt dat de Belastingdienst in principe uit moet kunnen gaan van de juistheid van de aangiften. Ook de fiscaal adviseur die in de belastingaangiften uitgaat van een lening aan de DGA van zijn BV en zich later op het standpunt stelt dat sprake was van een schijnlening (dividend) heeft dus heel wat uit te leggen. Dat betekent immers ook dat hij (al dan niet opzettelijk) jarenlang onjuiste belastingaangiften heeft gedaan. Wij helpen u graag! De problematiek die ik hiervoor heb geschetst, heeft de laatste tijd de aandacht van de Belastingdienst. Hierover zullen ook nog wel de nodige discussies worden gevoerd. Hoe deze voorkomen kunnen worden? Op tijd terugbetalen aan de BV! Neem voor meer informatie hierover contact op met één van onze fiscalisten.

 

 

Lees verder

Algemene voorwaarden

04.04.2017 | Michiel Deppenbroek - 0 reactie(s)

 

Over de voordelen van het gebruik van algemene voorwaarden is al veel geschreven. Bij het antwoord op de vraag of de algemene voorwaarden van toepassing zijn op een contractuele relatie, is van belang hoe en welke voorwaarden zijn opgenomen, of deze al dan niet aan de wederpartij ‘ter hand zijn gesteld’ en ook met welk type partij u contracteert (consument of niet). Het komt ook nogal eens voor dat een juridische strijd wordt gevoerd waarin eerst en vooral de vraag aan de orde komt welke van de twee sets algemene voorwaarden van toepassing is (de zogeheten “battle of the forms”). Let daarbij op dat u uw wederpartij niet onbedoeld de mogelijkheid biedt, de voor haar relevante bepalingen uit uw algemene voorwaarden te mogen gebruiken (“Cherry-picking”), zonder dat u integraal een beroep op deze voorwaarden kunt doen. Arresten van de Hoge Raad Uit arresten van de Hoge Raad blijkt dat het hanteren van algemene voorwaarden ook een ander nadeel kan hebben, zelfs in die gevallen waarin uw wederpartij – indien dat een consument is – geen verweer voert. In deze arresten heeft de Hoge Raad beslist dat naar Nederlands recht algemene voorwaarden, die tevens als oneerlijk beding in de zin van de Richtlijn betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten kunnen worden aangemerkt, ambtshalve buiten toepassing moeten worden gelaten. Overeenkomsten met consumenten De rechter zal bij overeenkomsten met consumenten, zo nodig ook zonder verweer, moeten onderzoeken of een beding waarop de professionele wederpartij een beroep doet, oneerlijk is in de zin van de Richtlijn. Dat leidt, ook in eenvoudige incassoprocedures, soms tot een vertraging in de afdoening van die procedures. Het beeld anno 2017 is dat boetebedingen en uitsluitingen van aansprakelijkheid met regelmaat door rechters buiten toepassing worden gelaten, indien zij dat beding als een oneerlijk beding kwalificeren. Rekent u zich dus niet op voorhand rijk als u uw “consument-wederpartij” aanspreekt tot betaling van een in de algemene voorwaarden opgenomen boeteclausule. Ook andere bedingen in contractuele verhoudingen met consumenten worden steeds vaker nietig geacht. Voor arbitragebedingen waarbij de consument niet de keuze heeft om voor de wettelijk bevoegde rechter te procederen, of vergelijkbare forumkeuzebedingen, lijkt geen ruimte meer te bestaan. Uitsluiting of vergaande beperking van aansprakelijkheid, in een situatie waarin het schadeveroorzakende feit tegen aanvaardbare premie verzekerbaar was, sneuvelt ook met regelmaat tijdens een procedure. En dat is vervelend als u zich nu juist niet verzekerd had omdat u meende een beroep te kunnen doen op de uitsluiting/beperking van de aansprakelijkheid. Hetzelfde geldt voor het opnemen van een verbod om op te schorten, te verrekenen of een bepaling waarin (te) korte termijnen worden gegeven waarbinnen gereclameerd moet worden. Wij helpen u graag! Met de net gehouden verkiezingen nog in het achterhoofd, doemt er een nieuw dilemma op. Wel of geen algemene voorwaarden hanteren, of twee setjes (één voor consumenten, één voor zakelijke wederpartijen), en welke keuzes dan daarin te maken? Wij helpen u graag bij het opstellen en juist toepassen van algemene voorwaarden.

 

 

Lees verder

Fit & Fun bij BAX advocaten belastingkundigen

21.02.2017 | Mike Timmer - 1 reactie(s)

 

Medewerkers moeten steeds langer doorwerken. Dat betekent dat het streven is medewerkers gemotiveerd, gezond en gelukkig te houden, zodat daarmee hun ervaring en expertise op niveau blijft. Ap Dijksterhuis (hoogleraar Sociale psychologie) definieert (niet wetenschappelijk onderbouwd, voegt hij daaraan toe) in een recent interview geluk als: ‘heel graag willen wat je al hebt’. Werkgeluk rust op de pijlers nut & zingeving en plezier. Als die pijlers in balans zijn dan is de medewerker in zijn werk gelukkig. Dat medewerkers (werk)geluk ervaren, wordt door BAX advocaten belastingkundigen en Heilbron belangrijk gevonden.   Fit & Fun Het streven naar (werk)geluk en het motiveren en gezond houden van werknemers, gaat niet alleen over goede arbeidsvoorwaarden, maar ook over ontspanning. BAX advocaten belastingkundigen en Heilbron vinden dat inspanning ook tot ontspanning moet leiden. Daarom hebben zij in 2017 de handen ineen geslagen (het zijn buren) en een Fit & Fun jaarprogramma opgesteld.   Zo wordt er op dinsdag en donderdag gesport onder begeleiding van personal trainers (Jasmin Omeragic van Crossfit Go Personal uit Doetinchem en Herbert Rougoor van Sportbalance.nl uit Breedenbroek) en wordt er onder andere gezamenlijk deelgenomen aan de BAX5x5 (georganiseerd door Argo), de Kanjer Dirt Challenge van Kanjers voor Kanjers (met partners en kinderen) en de Mud Masters in Weeze (Duitsland). Daarnaast wordt er gewandeld en zullen er yogalessen worden gegeven. De medewerkers bepalen zelf aan welke activiteiten ze mee doen, maar Heilbron en BAX hopen wel dat alle medewerkers worden geprikkeld om actief te worden én te blijven. Enthousiasme en doorzettingsvermogen Natuurlijk is iedere medewerker verantwoordelijk voor zijn of haar eigen (werk)geluk. Toch wil BAX advocaten belastingkundigen graag een bijdrage leveren aan de sportieve activiteiten van de medewerkers. En als medewerkers vol enthousiasme en doorzettingsvermogen 18 kilometer door de modder kruipen en over obstakels “vliegen” en vervolgens met datzelfde enthousiasme en doorzettingsvermogen aan het werk gaan, dan komt dat het (werk)geluk van de medewerkers én de kwaliteit van hun werkzaamheden natuurlijk ten goede.   Wilt u meer informatie over het Fit & Fun programma van BAX advocaten belastingkundigen en Heilbron? Neem dan contact met ons op. Wij staan u graag met raad en daad terzijde!

 

 

Lees verder

UPDATE: Uitfasering pensioen in eigen beheer

21.12.2016 | Arjen Drent - 0 reactie(s)

 

Op 20 december 2016, na het schrijven van onderstaande blog, heeft de Eerste Kamer, op verzoek van de Staatssecretaris besloten om de stemming over het wetsvoorstel “Wet uitfasering pensioen in eigen beheer” uit te stellen.   Aanleiding voor dit verzoek van de Staatssecretaris, zo staat te lezen in een aan de Eerste Kamer toegezonden brief, vormen signalen vanuit de praktijk dat met het oog op een ordentelijke besluitvorming nader onderzoek vereist is naar het gebruik van de mogelijkheden om de (toekomstige) indexatie van de opgebouwde pensioenaanspraken op het moment van afkoop of omzetting ten laste van de fiscale winst te brengen. De Staatssecretaris bereidt een novelle voor met daarin mogelijk een maatregel om de nadelige effecten te repareren. Ook zal daarin een wijziging van de datum van inwerkingtreding worden opgenomen.   Wij kijken uit naar de eventuele reparatie van de Staatssecretaris en de nieuwe datum inwerkingtreding. Wij houden u op de hoogte.   Uitfasering pensioen in eigen beheer Op Prinsjesdag 2016 is het wetsvoorstel uitfasering pensioen in eigen beheer ingediend met als beoogde ingangsdatum 1 januari 2017. Graag willen wij van deze gelegenheid gebruikmaken om de inhoud van dit wetsvoorstel met u te delen, alsmede de mogelijke gevolgen hiervan.   Het wetsvoorstel geeft directeuren-grootaandeelhouders (hierna: DGA’s) de mogelijkheid om hun pensioen in eigen beheer (hierna: PEB) in 2017, 2018 of 2019 tegen fiscale waarde af te kopen, waarbij een aanzienlijke belastingkorting wordt verleend, of hun PEB tegen fiscale waarde om te zetten in de spaarvariant Oudedagsverplichting (hierna: ODV). Ook bestaat de mogelijkheid om het bestaande PEB te handhaven. Bij al deze opties is een verdere opbouw niet mogelijk. De fiscale facilitering geldt ook voor reeds ingegane PEB, de reeds ingegane partner- en wezenpensioen, alsmede voor de reeds stopgezette pensioenopbouw van het PEB.   Handhaving bestaande pensioen in eigen beheer Bij de keuze om het bestaande PEB te handhaven blijft het huidige regime gehandhaafd, maar is een verdere dotatie aan het PEB niet meer mogelijk. Dit heeft tot gevolg dat het PEB als beklemd vermogen in de vennootschap blijft, hetgeen van invloed is op het dividendbeleid in de vorm van een mogelijke dividendklem. Ook zal de jaarlijkse actuariële berekening moeten worden gemaakt en blijft verder de verplichting bestaan om het pensioen levenslang uit te keren. Bij het premievrij maken van het PEB zal de toekomstige indexatie ineens moeten worden toegekend welke bij de vennootschap moet worden geactiveerd.    Uitfasering PEB Indien men ervoor kiest om het bestaande PEB om te zetten in een ODV, dan wel het bestaande PEB af te kopen, zal de bestaande PEB moeten worden afgestempeld van commerciële waarde naar fiscale waarde. Op basis van het wetsvoorstel kan dit zonder belastingheffing. Na voornoemde afstempeling zal er gekozen moeten worden voor de omzetting in een ODV dan wel voor afkoop. Deze keuze hangt voornamelijk af van de persoonlijke en financiële situatie van de DGA.   Omzetting tegen fiscale waarde in een ODV Zoals aangegeven, is bij deze keuze geen verdere pensioenopbouw mogelijk. De fiscale waarde van het bestaande PEB wordt op de balans opgenomen als een ODV, welke een fiscale voorziening betreft, en zal jaarlijks opgerent moeten worden met de marktrente (U-rendement). De voorziening dient bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd in ten minste 20 jaren gelijkmatig te worden afgebouwd, welke periode onder voorwaarden wordt verminderd met de reeds verstreken periode vanaf de AOW-gerechtigde leeftijd. Bij de keuze voor omzetting in een ODV kan de DGA uiterlijk in 2019 alsnog overgaan tot afkoop.   De keuze voor de omzetting in een ODV heeft als gevolg dat dit ruimte creëert voor het doen van dividenduitkeringen, omdat de dividendklem op het verschil tussen de commerciële waarde (oud) en het nieuwe spaarsaldo komt te vervallen. Voorts hoeft er “slechts” opgerent te worden tegen het U-rendement, welke thans bedraagt -0,25 procent (oktober 2016). Indien ervoor gekozen wordt om het PEB (nog) niet af te kopen, maar om te zetten in de ODV blijft het vrijgekomen vermogen beschikbaar voor de onderneming.   Afkoop PEB De keuze voor de afkoop van de bestaande PEB (zowel ouderdomspensioen als nabestaandenpensioen) heeft tot gevolg dat de vennootschap weliswaar van de pensioenverplichting wordt bevrijd, maar hiervoor treedt in de plaats de opeisbare schuld aan de DGA alsmede de verschuldigde loonbelasting. Een gedeeltelijke afkoop is niet mogelijk en voorts dient de verschuldigde belasting in één keer te worden betaald. Kortom: dit vereist de nodige liquide middelen. Om hierin tegemoet te komen, kan er tegen een fiscale korting worden afgekocht. De voorgestelde korting bedraagt in 2017: 34,5 procent, in 2018: 25 procent en in 2019: 19,5 procent. Naast voornoemde korting is over de afkoop in deze jaren geen 20 procent revisierente verschuldigd. Bij de afkoop wordt uitgegaan van de fiscale waarde van het bestaande PEB per 31 december 2015.   De afkoop van het bestaande PEB biedt mogelijkheden voor financiële planning. U kunt bijvoorbeeld het vrijgekomen vermogen in privé houden of deze terugstorten in de vennootschap om bijvoorbeeld de rekening-courant af te lossen. Hierbij is van belang de wijziging in de tariefstructuur van de belastingheffing in box 3. Met het oog hierop is een van de vennootschap afgesplitste vrijgestelde beleggingsinstelling (VBI), die het vrijgekomen vermogen belegt, zonder heffing van vennootschapsbelasting, het overwegen waard.   Wat nu? In de jaren 2017 t/m 2019 moet tot een keuze worden gekomen. Hierbij is van belang dat de DGA de opbouw van het PEB voor 1 januari 2017 stop moet zetten. Daarnaast kan uitstel van de keuze om het PEB om te zetten in de ODV aantrekkelijk zijn, omdat de PEB tot dat moment oprent tegen de 4 procent, welke hoger is dan het U-rendement welke voor de ODV heeft te gelden.   Aandachtspunten Bij het maken van een keuze spelen onderstaande aandachtspunten een rol:   wat is de huidige financiële positie van de DGA?; de toestemming (ex)partner is vereist, waarvoor de Belastingdienst formulieren zal publiceren; indien geen toestemming wordt gegeven, dan werkt de Belastingdienst niet mee aan de afkoop; de (wijze van) verdeling van pensioenaanspraken, met inbegrip van eventuele over- en onderbedeling en mogelijke verschuldigdheid van schenkbelasting; het correct verrichten van alle formele (administratieve) handelingen, zoals notulen algemene vergadering van aandeelhouders en de verwerking van de jaarrekening; de beoordeling of afkoop geen knelpunten oplevert in de liquiditeits- en solvabiliteitspositie van de vennootschap; het opstellen van een spaarreglement door de vennootschap; de mogelijke intentie van de DGA om te emigreren; bij een minderheidsaandelenpakket een mogelijke verschuldigdheid van schenkbelasting; het in aanmerking te nemen gebruikelijke loon.   Wij helpen u graag! Het wetsvoorstel noopt u, als DGA, tot het maken van een ingewikkelde keuze. Om tot een weloverwogen keuze te komen, zullen vele zaken in kaart moeten worden gebracht en vervolgens worden afgewogen. Wij zijn uiteraard bereid om u te adviseren en bij te staan bij het maken van uw keuze. In dat geval kunt u contact opnemen met één van onze specialisten.

 

 

Lees verder

Arbeidsongeschiktheid: compensatie in zicht

21.12.2016 | Melissa Meffert - 0 reactie(s)

 

Een werkgever kan het UWV, na twee jaar arbeidsongeschiktheid van de werknemer, verzoeken om toestemming voor opzegging van de arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, indien de werknemer de bedongen arbeid niet meer kan verrichten wegens ziekte of gebreken en het aannemelijk is dat er binnen 26 weken geen herstel zal optreden en er binnen die periode geen passende arbeid is. De werkgever dient bij beëindiging dan wel de transitievergoeding aan de werknemer te betalen. Dat verbaast, gezien het doel van de transitievergoeding. De transitievergoeding is immers bedoeld om de transitie naar ander werk te vergemakkelijken. Daarvan is echter geen sprake, indien de werknemer volledig arbeidsongeschikt is. Deze verplichting wordt – na een loondoorbetalingsplicht van 2 jaar – door veel werkgevers als onredelijk gezien.    “Slapend dienstverband” Om betaling van de transitievergoeding te voorkomen, komt het in de praktijk voor dat werkgevers besluiten de arbeidsovereenkomst na twee jaar ziekte niet te beëindigen. Er is dan sprake van een zogenaamd “slapend dienstverband”. De arbeidsovereenkomst loopt door, terwijl er geen arbeid meer wordt verricht en er ook geen loon meer wordt betaald. De arbeidsovereenkomst is in die situatie een lege huls geworden. Er bestond aanvankelijk enige onduidelijkheid met betrekking tot de toelaatbaarheid van zo’n “slapend dienstverband”. Uit de rechtspraak blijkt inmiddels dat een werkgever niet ernstig verwijtbaar handelt, indien een “slapend dienstverband” in stand wordt gehouden. Een werknemer die in die situatie zelf om ontbinding verzoekt, heeft in beginsel dan ook geen recht op een transitievergoeding en/of een billijke vergoeding.    De risico’s  De werkgever dient zich wel te realiseren dat een “slapend dienstverband” niet risicoloos is. De mogelijkheid bestaat immers dat de werknemer op een gegeven moment weer (gedeeltelijk) arbeidsgeschikt wordt, in welk geval de werknemer aanspraak kan maken op (gedeeltelijke) werkhervatting en loondoorbetaling. De arbeidsovereenkomst bestaat immers nog. Als de werkgever de arbeidsovereenkomst dan alsnog wil beëindigen, kan dit niet meer op grond van langdurige arbeidsongeschiktheid, maar dient er sprake te zijn van een andere voldragen ontslaggrond. Daarnaast is de werkgever – door de inmiddels verstreken tijd – bij beëindiging een hogere transitievergoeding aan de werknemer verschuldigd, omdat de jaren van arbeidsongeschiktheid meetellen bij de berekening van de transitievergoeding.   Algemeen Werkloosheidsfonds Om werkgevers – die na twee jaar arbeidsongeschiktheid de transitievergoeding moeten betalen – te compenseren, is recent een wetsvoorstel ingediend dat er in hoofdlijnen op neer komt dat werkgevers in voornoemde situatie nog wel een transitievergoeding moeten betalen, maar daarvoor financieel worden gecompenseerd. Deze compensatie wordt gefinancierd vanuit het Algemeen werkloosheidsfonds (AWf), zodat de (uniforme) AWf-premie zal worden verhoogd, hetgeen betekent dat de werkgevers een deel van de compensatie zelf betalen. Er bestaat echter nog de nodige onduidelijkheid met betrekking tot het recht op compensatie en de voorwaarden die daarvoor gelden. Een belangrijke vraag is of de werkgever ook aanspraak op de compensatie kan maken, indien betaling van een beëindigingsvergoeding wordt overeengekomen in een beëindigingsovereenkomst. Er is dan immers formeel geen sprake van een verplichting om een transitievergoeding te betalen.   Het was de bedoeling om de compensatieregeling per 1 januari 2018 in werking te laten treden. Inmiddels is duidelijk geworden dat dit niet haalbaar is, zodat de beoogde ingangsdatum nu 1 januari 2019 is. Van belang is evenwel dat het de bedoeling is dat de compensatieregeling terugwerkende kracht heeft tot 1 juli 2015, zodat de compensatieregeling ook geldt voor de transitievergoedingen die in de periode van 1 juli 2015 tot het moment van inwerkingtreding van de compensatieregeling zijn betaald. Vanwege deze terugwerkende kracht is het voor werkgevers dan ook van belang om hun administratie met betrekking tot de beëindiging van arbeidsovereenkomsten wegens langdurige arbeidsongeschiktheid goed te bewaren.    Wij helpen u graag! Wilt u meer weten over de compensatieregeling of de beëindiging van een arbeidsovereenkomst in geval van langdurige arbeidsongeschiktheid, dan kunt u contact opnemen met één van de specialisten arbeidsrecht van BAX advocaten belastingkundigen.

 

 

Lees verder

Wet Doorstroming Huurmarkt

21.12.2016 | Manon Engbers - 0 reactie(s)

 

Sinds 1 juli 2016 is de Wet Doorstroming Huurmarkt in werking getreden. De wet maakt het mogelijk om zelfstandige woonruimte voor een bepaalde tijd van maximaal twee jaar te verhuren (onzelfstandige woonruimte voor de duur van maximaal vijf jaar). Let wel, een verhuurder (niet zijnde een woningcorporatie) kan slechts één keer een zelfstandige woning aan dezelfde huurder verhuren voor een periode van twee jaar of korter. Een tweede huurovereenkomst met dezelfde huurder wordt aangemerkt als een reguliere huurovereenkomst voor onbepaalde tijd.    Schriftelijke mededeling Deze huurovereenkomst voor bepaalde tijd eindigt zonder dat daartoe een opzegging is vereist. De verhuurder dient de huurder tijdig (maximaal drie maanden en minimaal één maand voor het einde van de huurovereenkomst) te informeren over het eindigen van de huurovereenkomst. Deze mededeling dient schriftelijk te geschieden. In dat geval heeft een huurder geen recht op huurbescherming. Indien de verhuurder verzuimt een huurder tijdig in kennis te stellen van het einde van de huurovereenkomst, heeft de huurovereenkomst te gelden als een reguliere huurovereenkomst voor onbepaalde tijd. Dit kan nadelig zijn voor een verhuurder, zodat het raadzaam is deze termijn goed te bewaken. Voor een huurder geldt dat hij de huurovereenkomst dient op te zeggen als hij wenst te voorkomen dat de huurovereenkomst voor bepaalde tijd overgaat in een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd.   Mogelijke situaties De nieuwe wet lijkt eenvoudig. Toch geeft de wet geen volstrekte duidelijkheid in alle situaties. Wat bijvoorbeeld te denken van de navolgende situaties?   Ontstaat er een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd in het geval een zelfstandige woonruimte voor de tweede keer aan dezelfde huurder wordt verhuurd, maar met een tussenpoos van bijvoorbeeld zes maanden? Ontstaat er een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd in het geval aan dezelfde huurder eerst voor twee jaar zelfstandige woonruimte A wordt verhuurd en aansluitend voor twee jaar zelfstandige woonruimte B? Ontstaat er een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd indien een zelfstandige woonruimte voor de duur van twee jaar wordt verhuurd aan A, waarin A en B samenwonen, en vervolgens de zelfstandige woonruimte voor een aansluitende periode van twee jaar wordt verhuurd aan B? Ontstaat er een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd indien de zelfstandige woonruimte voor de duur van twee jaar wordt verhuurd na afloop van bijvoorbeeld een huurovereenkomst onder de leegstandwet, een bruikleenovereenkomst dan wel een huurovereenkomst welke naar zijn aard slechts van korte duur is?   Wij helpen u graag! De komende tijd zal duidelijk moeten worden hoe rechters in de praktijk met deze vraagstukken zullen omgaan. Wij zullen de jurisprudentie op dit vlak voor u nauwgezet volgen. Wilt u graag meer informatie dan kunt u contact opnemen met één van de huurrechtspecialisten van BAX advocaten belastingkundigen.

 

 

Lees verder

Maatschappelijk betrokken op vele fronten

21.12.2016 | Fokke Voerman - 0 reactie(s)

 

BAX-ijsbaan BAX advocaten belastingkundigen is ook in 2016 hoofdsponsor van de kunstijsbaan op het Simonsplein. In 2011 voor het eerst. “Een mogelijke hoofdsponsor viel weg en wij kregen de vraag of we belangstelling hadden”, zegt Fokke Voerman. “Wij wilden het initiatief van het Centrummanagement niet verloren laten gaan. We waren meteen enthousiast, want het gaat erom dat we met elkaar het warme wintergevoel in de binnenstad brengen.”   Zes jaar geleden was er alleen een schaatsbaan van kunstijs in het centrum van de stad, zonder overkapping en met weinig aankleding er omheen. Dat is inmiddels sterk veranderd en dat komt de sfeer ten goede. Mike Timmer: “We vinden het geweldig van de ondernemers in de binnenstad van Doetinchem dat zij niet op hun handen gaan zitten en veel willen ondernemen. Wij ondersteunen die activiteiten met veel plezier.” Inmiddels is aan het schaatsen curling toegevoegd en mede daardoor liggen de activiteiten op de ijsbaan nauwelijks stil.   Zelf organiseren en zelf doen “Het gaat ons niet zozeer om de naamsbekendheid, want die hebben we in de Achterhoek en wijde omgeving volop”, zegt Fokke. “Wij willen wat betekenen voor de samenleving. En natuurlijk ook tegelijkertijd ontspannen met onze relaties omgaan”. Belangrijker nog dan juridische (BAX advocaten belastingkundigen is onder andere juridisch partner van Special Olympics Nationale Spelen Achterhoek 2018) en/of financiële ondersteuning aan goede doelen is de inzet van de medewerkers van BAX om activiteiten zelf te organiseren en daardoor (sponsor)gelden voor goede doelen bijeen te brengen. Zo is er in het verleden een rolstoelbasketbaltoernooi georganiseerd en een heuse zeskamp bij Markant om ondernemers te laten ervaren hoe het is om te sporten met een handicap. BAX kreeg er de ‘DoeMEE-award’ voor. In 2013 werd door BAX2Give de Elfstedentocht hardgelopen voor Serious Request. In 2014 is een 24-uurs loop van Hoek van Holland naar Haarlem georganiseerd, wederom voor Serious Request en in 2015 trailden 60 hardlopers voor datzelfde goede doel via het Pieterpad naar Maastricht. Mike: “Niet alleen mooie woorden, maar ook de handen uit de mouwen”.    BAX Beachvolley Fokke wijst erop dat het BAX Beachvolleybaltoernooi in de zomer en de BAX-ijsbaan in de winter op nagenoeg dezelfde plek plaatsvinden. “Voor onze relaties is het BAX Beachvolleybaltoernooi een evenement om ook sportief bezig te zijn. Het past allemaal bij onze instelling: op het niveau van topsport bezig zijn, sparren met klanten, competitief zijn en willen winnen!”   BAX2Give Voor de ondersteuning van goede doelen door evenementen te organiseren, is er door medewerkers van BAX zelfs een stichting (BAX2Give) in het leven geroepen. Waar als goed doel is begonnen is met Gehandicaptensport Nederland en Special Olympics, werd vervolgens drie achtereenvolgende jaren gekozen voor Serious Request.    Back2Home Na alle windstreken voor Serious Request te hebben aangedaan, was het in 2016 tijd om terug te keren naar de Achterhoek. Back2Home dus. Ook was de tijd aangebroken om op zoek te gaan naar andere goede doelen. Het bestuur van BAX2Give, dat volledig bestaat uit medewerkers van BAX, nam het besluit voortvarend. Het Hospice Zutphen, Hospicegroep De Lelie en het Inloophuis Oude IJssel werden benaderd. Er werd met veel enthousiasme gereageerd door deze goede doelen, zodat voor de genoemde goede doelen in het weekend van 26 en 27 november 2016 Back2Home heeft plaatsgevonden. De opzet van Back2Home was gelijk aan de evenementen voor Serious Request vertelt Mike. “Er is 230 kilometer in estafettevorm afgelegd. Wij liepen langs de mooiste plekken in de Achterhoek. Daarbij zijn niet alleen de mooiste plekken aangedaan, maar ook de mooiste bedrijven. Wij zijn bij de goede doelen geweest en hebben ervaren dat dit een grote indruk heeft gemaakt op alle deelnemers. Een sfeerimpressie van Back2Home willen we graag met iedereen delen”, zeggen Mike en Fokke. Deze is te vinden op de website www.bax2give.nl.   Eindresultaat Back2Home: €33.000,00 Zondagmiddag 27 november 2016 rond 15.30 uur arriveerden alle lopers van Back2Home, ieder met 25 tot circa 55 kilometers in de benen bij BAX advocaten belastingkundigen aan de Edisonstraat te Doetinchem. Ze werden luid verwelkomd door familieleden en vrienden. Er steeg helemaal een luid applaus op toen Bjorn Harbers aansluitend meldde dat het geweldige resultaat van €29.850,00 was behaald. Inmiddels is dit bedrag opgelopen tot bijna €33.000,00. Zodoende kan aan het Inloophuis Oude IJssel, het Hospice Zutphen en Hospicegroep De Lelie ieder een cheque van circa €11.000,00 worden overhandigd! Een resultaat om trots op te zijn!

 

 

Lees verder

Wegbestemmen bouwkavels

17.10.2016 | Derek van Hijkoop - 0 reactie(s)

 

In de Achterhoek is sprake van bevolkingskrimp, waardoor veel minder nieuwe woningen nodig zijn dan eerder was voorzien. De Achterhoekse gemeenten hebben zich verbonden in de “Regionale Woonagenda 2015-2025” om in die periode nog maar 3.145 nieuwbouwwoningen te bouwen. Voor de gemeente Doetinchem betekent dit bijvoorbeeld dat er nog maximaal 1.375 nieuwe woningen mogen worden gebouwd.   Bestemmingsplannen worden wegbestemd In diverse bestemmingsplannen zitten nog veel onbenutte bouwblokken, daarom worden deze door middel van bestemmingsplanwijzigingen wegbestemd. Dit betekent dat het bestemmingplan zodanig wordt aangepast dat er niet meer mag worden gebouwd.   Wat betekent dat voor u? Een aantal inwoners in de Achterhoek bezit een bouwkavel, veelal met de wens om op latere leeftijd een kleine woning te kunnen bouwen. De huidige woning wordt dan verkocht, bijvoorbeeld aan één van de kinderen. Deze groep mensen wordt hard getroffen door het gemeentelijk beleid om de slapende woningcapaciteit weg te bestemmen. Zij hebben nu nog geen behoefte aan kleiner wonen, laat staan dat er een concreet bouwplan voorhanden is.   Meer duidelijkheid In de jurisprudentie is uitgemaakt dat de gemeente een eigenaar van een bouwkavel ten minste een periode van 12 maanden moet gunnen om een bouwplan te ontwikkelen en hiervoor een bouwvergunning aan te vragen. Laat de eigenaar deze periode voorbijgaan, dan wordt zijn bouwvergunningaanvraag afgewezen en mist hij ook de mogelijkheid om een planschadeclaim in te dienen. Het was dan namelijk voorzienbaar dat de bebouwingsmogelijkheid zou kunnen vervallen. Dat is natuurlijk zuur. En geen woning én geen schadevergoeding. Het criterium voor toekenning van planschade is dat er voor een redelijk denkend en handelend eigenaar van een bouwblok aanleiding bestond rekening te houden met een planologische verslechtering op zijn perceel. Hiervan is sprake wanneer een gemeente een concreet beleidsvoornemen publiceert waaruit blijkt dat het bouwblok mogelijk wordt wegbestemd. De Achterhoekse gemeenten doen dit door het publiceren van lijsten van bouwblokken die zij voornemens zijn door te halen na verloop van één jaar na de publicatie van deze lijst.   Kijk eens kritisch naar uw toekomstplannen Bent u eigenaar van een bouwkavel en heeft u plannen om hierop in de toekomst te bouwen, dan is het verstandig alvast een bouwplan te ontwikkelen dat past in het huidige bestemmingsplan. Ook blijft het raadzaam de publicaties van uw gemeente goed in de gaten te houden. Is uw gemeente voornemens uw bouwblok door te halen, dan wordt u niet verrast en kunt u nog tijdig een bouwvergunning aanvragen. Wilt u graag meer informatie? Neem dan contact op met mr. Derek van Hijkoop. Hij staat u graag met raad en daad terzijde.

 

 

Lees verder

Wet bescherming erfgenamen tegen schulden

17.10.2016 | Edo Moll - 0 reactie(s)

 

Op 1 september 2016 is de Wet bescherming erfgenamen tegen schulden in werking getreden. Wanneer iemand overlijdt, wordt hij juridisch “opgevolgd” door zijn erfgenaam (of erfgenamen). Opvolgen betekent dat de erfgenaam de bezittingen krijgt, maar ook de schulden en eventuele andere verplichtingen. Wie erfgenaam is, staat in het testament. Als er geen testament is, dan staat in de wet omschreven wie erfgenaam is. Welke gevolgen heeft een erfenis? Het kan grote financiële gevolgen hebben om de overledene op te volgen. Wanneer u erfgenaam bent van iemand die alleen maar schulden nalaat, is het af te raden de erfenis te aanvaarden. Door de erfenis te verwerpen, voorkomt u dat u opdraait voor de schulden die de overledene nalaat. Welke mogelijkheden heeft u? De wet kent drie keuzemogelijkheden: zuiver aanvaarden, verwerpen of beneficiair aanvaarden. Beneficiair aanvaarden is de meest veilige optie. Daarbij wordt eerst vastgesteld hoeveel bezittingen en schulden er zijn. Pas als het zeker is dat de bezittingen van de erflater voldoende zijn om alle schulden te kunnen betalen, komen de erfgenamen aan bod. Let op: de erfgenaam die zich voortijdig spullen van de erflater toe-eigent, heeft zuiver aanvaard. Het is dan niet meer mogelijk beneficiair te aanvaarden. ‘Koperen pan-uitspraak’ Er is langdurig geprocedeerd over de vraag of er nog beneficiair kan worden aanvaard als de erfgenaam zich iets uit de boedel van de overledene heeft toegeëigend. In de zogenoemde ‘Koperen pan-uitspraak’ heeft de Hoge Raad in 2015 beslist dat het feit dat de erfgenamen met de pinpas van de overledene zijn gaan lunchen, niet altijd hoeft te betekenen dat de erfgenamen dan niet meer beneficiair kunnen aanvaarden. De Hoge Raad betrok in zijn oordeel dat de lunch werd genoten op de dag dat de erfgenamen allerlei praktische zaken rondom de uitvaart aan het regelen waren. De Hoge Raad week af van de hoofdregel en oordeelde dat het te ver gaat om uit ‘die ene lunch’ te concluderen dat de erfgenamen zuiver hadden aanvaard. Deze erfgenamen waren dus niet met hun eigen vermogen aansprakelijk voor alle schulden van de overledene. Zuiver aanvaarden Per 1 september 2016 staat in de wet dat een erfgenaam zuiver aanvaardt (en dus niet meer beneficiair kan aanvaarden) wanneer hij goederen van de nalatenschap verkoopt, bezwaart of op andere wijze ervoor zorgt dat schuldeisers zich niet meer op deze goederen kunnen verhalen. Stel: een erfgenaam denkt niet aan de optie om beneficiair te aanvaarden, omdat er geen redenen zijn om aan te nemen dat de overledene schulden heeft. Als na een paar maanden toch een grote schuld opduikt, dan is het sinds 1 september 2016 mogelijk de kantonrechter om toestemming te vragen alsnog beneficiair te mogen aanvaarden en daardoor gevrijwaard te blijven van de schulden van de overledene. Heeft u te maken met een erfenis? Bent u erfgenaam en wilt u meer weten over de mogelijkheden tot beneficiair aanvaarden, verwerpen of zuiver aanvaarden of heeft u andere erfrechtelijke vragen? Neem dan contact op met onze erfrechtspecialist mr. Edo Moll.

 

 

Lees verder

Ontslag wegens disfunctioneren

17.10.2016 | Maarten Korthuis - 0 reactie(s)

 

Eenvoudiger en sneller is het ontslaan van een slecht functionerende werknemer niet geworden sinds het nieuwe ontslagrecht geldt. Rechters toetsen streng of wel aan alle wettelijke vereisten is voldaan. Als in een vroegtijdig stadium wordt ingespeeld op de geldende regels kan een, voor de werkgever teleurstellende, ontbindingsbeschikking worden voorkomen. Aandachtspunten 1.  Zorg ervoor dat er geen discussie kan ontstaan over welke taken tot de functie van de werknemer behoren. Een functieomschrijving bij de arbeidsovereenkomst kan een goed instrument zijn om misverstanden te voorkomen. Bij een wijziging van de functie-inhoud is het zinvol om een aangepaste functieomschrijving aan de werknemer te verstrekken. Het is daarbij van belang dat de werknemer de (gewijzigde) functieomschrijving ondertekent. In een ontbindingsprocedure, gebaseerd op disfunctioneren, zal een rechter de bedongen arbeid namelijk als uitgangspunt hanteren. 2. Spreek de werknemer tijdig en duidelijk aan op de onderdelen van zijn functioneren die onder de maat zijn. Geef daarbij ook aan dat beëindiging van de arbeidsovereenkomst de consequentie zal zijn, als het functioneren niet binnen een redelijke termijn verbetert en leg één en ander bewijsbaar vast. De kantonrechter Rotterdam wees dit jaar een ontbindingsverzoek af, mede omdat de werkgever niet onomwonden aan de werknemer duidelijk had gemaakt dat bij uitblijven van verbetering in het functioneren aangestuurd zou worden op ontbinding van de arbeidsovereenkomst. 3. Stel samen met de werknemer een schriftelijk verbeterplan op, waardoor de werknemer zijn functioneren binnen een redelijke termijn op het juiste niveau kan brengen. De kantonrechter Groningen wees recent een ontbindingsverzoek af, omdat de werkgever de werknemer zelf een verbetervoorstel had laten opstellen, hem daarvoor verantwoordelijk maakte en hem daarop vervolgens afrekende. Bij de uitvoering van het verbeterplan wordt van de werkgever verwacht dat de werknemer wordt gecoacht en eventueel scholing ontvangt. Het is aan te raden om de uitvoering van het verbeterplan regelmatig te evalueren en deze evaluatie ook schriftelijk vast te leggen. De duur van de periode waarbinnen verbetering dient plaats te vinden, zal mede afhangen van de functie, de duur van het dienstverband en bijvoorbeeld de intensiteit van de begeleiding door de werkgever tijdens het verbetertraject. 4. Ga na of er in de periode die zich bevindt tussen een eventuele ontbindingsbeschikking en de einddatum van de arbeidsovereenkomst een andere, passende functie voor de werknemer beschikbaar is. Het gaat daarbij dan om een andere, beschikbare functie waarin de werknemer – al dan niet met enige scholing – geplaatst zou kunnen worden. Wanneer deze praktische aandachtspunten in acht worden genomen en het functioneren van de werknemer onverhoopt niet verbetert, is aan de wettelijke vereisten voor ontbinding van een arbeidsovereenkomst wegens disfunctioneren voldaan. Wij helpen u graag! Wilt u advies over de manier waarop u het beste om kunt gaan met disfunctionerende werknemers? Neem dan contact op met één van de arbeidsrechtspecialisten van BAX advocaten belastingkundigen. Wij helpen u graag!

 

 

Lees verder

Aansprakelijkheid bij dividenduitkeringen

29.06.2016 | Bjorn Harbers - 0 reactie(s)

 

De verplichting tot het uitvoeren van de ‘uitkeringstoets’ bij dividenduitkeringen door het bestuur is vrij nieuw. Tot voor kort ontbrak het daarom aan rechtelijke uitspraken rondom deze uitkeringstoets. De rechtbank Gelderland bracht daar recent verandering in.   Goedkeuring verlenen Een belangrijke wijziging bij de invoering van de Flex-B.V. is de in artikel 2:216 lid 2 BW neergelegde verplichting van het bestuur om goedkeuring te verlenen aan een voorgenomen dividendbesluit. Het instrument dat het bestuur daarvoor heeft, is de zogeheten ‘uitkeringstoets’. Handelt het bestuur niet correct bij het uitvoeren van die uitkeringstoets, dan kan dat leiden tot aansprakelijkheid van de individuele bestuurders.   Wettelijke vereisten Bij een dividenduitkering dient aan de volgende twee voorwaarden te worden voldaan. De eerste voorwaarde is het uitvoeren van een balanstoets door de algemene vergadering van aandeelhouders (AVA). Dit houdt in dat de AVA toetst of het eigen vermogen groter is dan de wettelijke of statutaire reserves. Vervolgens dient het bestuur het besluit van de AVA goed te keuren aan de hand van de uitkeringstoets.    Vuistregels voor toetsing De wetgever heeft enkele vuistregels gegeven voor de wijze waarop het bestuur moet toetsen. Bij de beoordeling dient rekening te worden gehouden met de gevolgen van de uitkering voor de liquiditeit, solvabiliteit en rentabiliteit van de vennootschap. Daarnaast moet de vennootschap na de uitkering nog kunnen voldoen aan haar opeisbare verplichtingen. Daarbij hoeft het bestuur in beginsel niet verder te kijken dan één jaar vooruit.   Aansprakelijkheid Wanneer blijkt dat het bestuur ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de dividenduitkering dan kunnen de individuele bestuurders hoofdelijk aansprakelijk zijn voor terugbetaling van maximaal het uitgekeerde bedrag, te vermeerderen met rente. Als een faillissement van de vennootschap volgt en de uitkering een belangrijke oorzaak hiervan blijkt te zijn, dan kunnen de bestuurders zelfs worden aangesproken voor het volledige tekort in het faillissement. Ook aandeelhouders kunnen aansprakelijk worden gesteld voor het aan hen uitgekeerde bedrag.   In de praktijk Hieronder volgt een recente uitspraak van de rechtbank Gelderland rondom het hierboven besproken onderwerp.   Bij de herontwikkeling van een onroerend goed, besluiten diverse partijen om de samenwerking op te zeggen. De betrokken vennootschappen raken verstrikt in een juridische procedure. Ter beslechting daarvan wordt een vaststellingsovereenkomst gesloten. Kort daarna blijkt dat binnen die vennootschap een dividenduitkering heeft plaatsgevonden, waarvoor een rechtsgeldig besluit van de AVA én goedkeuring van het bestuur bestond. Achteraf bleek dat de dividenduitkering op basis van de toetsingen ten onrechte heeft plaatsgevonden. In de procedure bij de rechtbank Gelderland is de aansprakelijkheid van de aandeelhouder en bestuurder voor het bedrag van de dividenduitkering aan de orde.   De rechtbank Gelderland overweegt onder meer dat de wetgever het zwaartepunt van de verplichtingen op grond van artikel 2:216 BW bij de bestuurder heeft gelegd. Daarom is er - in deze casus - geen reden aanwezig om de aandeelhouder hiervoor aansprakelijk te stellen.   De vennootschap in deze casus bestond tijdens het besluit tot dividenduitkering korter dan een jaar. Er waren nog geen jaarstukken beschikbaar, maar slechts een voorlopige (onvolledige ) kolommenbalans. Op basis van de balans- en uitkeringstoets dient een bestuurder in zo’n geval extra voorzichtig te zijn bij het verlenen van goedkeuring, omdat een groot geldbedrag aan de vennootschap wordt onttrokken.   De rechtbank acht de bestuurder aansprakelijk voor het tekort en veroordeelt de bestuurder tot terugbetaling aangezien de bestuurder onvoldoende rekening heeft gehouden met uitgaven die na het dividendbesluit zijn gedaan en die waren te beschouwen als normale en daarmee voorzienbare exploitatiekosten.   Wees bedachtzaam! BAX advocaten belastingkundigen adviseert bestuurders en aandeelhouders bij tal van vennootschappelijke vraagstukken. Wees bedacht bij het verlenen van goedkeuring aan een dividendbesluit op toekomstige kosten en verplichtingen. Een bestuurder kan niet eenvoudig ontkomen aan de verantwoordelijkheden die gelden bij het goedkeuren van een dividenduitkering.

 

 

Lees verder

GOM-arrest

29.06.2016 | Mike Timmer - 0 reactie(s)

 

Valt een schuld aan een (verplichtgesteld) bedrijfstakpensioenfonds onder de reikwijdte van de bepalingen over overgang van onderneming? En zo ja, heeft het bedrijfstakpensioenfonds dan een zelfstandig vorderingsrecht op de verkrijger voor de, niet door de vervreemder afgedragen, premies over de periode vóór de overgang? In het GOM-arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden werden beide vragen bevestigend beantwoord.   Een praktische casus De feiten zijn als volgt. De verkrijger heeft medio 2008 de activa van twee gelieerde vervreemders overgenomen. Zowel de verkrijger als de vervreemders vielen onder het verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfonds voor de glazenwassers- en schoonmaakbranche (hierna: “Bpf”). In verband met een bestaande premieachterstand hebben partijen in een intentieverklaring opgenomen dat eventuele claims van o.a. de pensioenuitvoerder – betrekking hebbend op de periode vóór datum overgang – voor rekening en risico van de vervreemders zouden blijven en derhalve niet zouden worden overgenomen. De afspraak was dat GOM als verkrijger de precieze hoogte van de premieachterstand bij het Bpf zou opvragen, waarna die premieachterstand in mindering zou worden gebracht op de koopprijs. Het heeft vervolgens bijna 2 jaar geduurd voordat GOM een opgave van de premieachterstand en korte tijd later een sommatie tot betaling van die achterstand van het Bpf ontving. Tot grote schrik van GOM bedroeg de premieachterstand bijna 2 miljoen! GOM weigerde betaling en het Bpf ging naar de kantonrechter. Na toewijzing van de vordering van het Bpf is GOM in hoger beroep gegaan. Het hof diende in zijn arrest vier vragen te beantwoorden, waarvan wij er drie bespreken.   Vraag 1 Allereerst moest het hof oordelen of een vordering van een verplichtgesteld Bpf op de vervreemder onder de “rechten en verplichtingen” valt die bij overgang van onderneming van rechtswege overgaan op de verkrijger. Het hof beantwoordde deze vraag bevestigend. Van belang is immers dat de verplichting tot deelname aan het Bpf na de overgang van onderneming bleef bestaan.   Vraag 2 In de tweede plaats moest het hof beoordelen of de betalingsverplichting ten aanzien van de onbetaalde pensioenpremies van de vervreemders is overgegaan op de verkrijger. Ook deze vraag beantwoordt het hof bevestigend. Het hof verwijst daarbij onder andere naar de wetsgeschiedenis van de bepalingen over overgang van onderneming. Vraag 3 De derde vraag, had betrekking op mogelijke derdenwerking van de bepalingen over overgang van onderneming. Het Bpf heeft volgens het hof ook een zelfstandig vorderingsrecht op de verkrijger, op grond waarvan de verkrijger kan worden aangesproken tot betaling van de premieachterstand. Deze mogelijkheid bestaat volgens het hof, omdat de overgang van de premieschuld tevens leidt tot overgang van het daaraan gekoppelde vordering van het Bpf. Verder achtte het hof van belang dat zowel de vervreemders als de verkrijger onder het verplicht gestelde Bpf vielen. Heeft het hof het goed gedaan? Het oordeel van het hof heeft de nodige kritiek te verduren. Er wordt gesteld dat het oordeel in strijd is met Europese regelgeving en jurisprudentie op dit punt. De bepalingen omtrent overgang van onderneming beogen de rechten van werknemers bij een overgang te beschermen. Uit de Europese regelgeving en de daarop gebaseerde Nederlandse wetgeving blijkt niet dat derdenwerking is beoogd. Daarnaast heeft het hof Amsterdam in 2014 al eens geoordeeld dat vorderingen op de vervreemder niet (van rechtswege) overgaan op de verkrijger bij een overgang van onderneming, omdat de bepalingen omtrent overgang van onderneming alleen betrekking hebben op verplichtingen ten opzichte van de werknemers. Dit oordeel van het hof Amsterdam is geheel in lijn met de Europese rechtspraak over dit onderwerp.   Bezint eer ge begint Hoewel de nodige vraagtekens kunnen worden geplaatst bij de uitspraak van het hof, maakt de uitspraak duidelijk dat het verstandig is om een goed due diligence-onderzoek te laten uitvoeren voordat een overname wordt gerealiseerd. Zelfs wanneer uitdrukkelijk afspraken worden gemaakt over betalingsverplichtingen met betrekking tot de periode vóór de overname kunnen dergelijke verplichtingen toch voor rekening van de verkrijger komen. Indien u voor een overname staat, staan wij u graag terzijde bij het gehele overnameproces.   

 

 

Lees verder

Gemeenschap van goederen op de schop?

29.06.2016 | Minke Hissink - 0 reactie(s)

 

Het aangaan van een huwelijk of een geregistreerd partnerschap is bij uitstek een moment om na te denken over de gevolgen van de positie van uw vermogen. Wat zijn de gevolgen voor het vermogen van u en uw partner en wat gaat er, als het aan de wetgever ligt, veranderen?   Hoe is het nu geregeld? Het standaard stelsel in het huidige huwelijksvermogensrecht is de algehele gemeenschap van goederen. Het gehele vermogen van beide partners van voor het huwelijk (ook geregistreerd partnerschap) valt, door het sluiten van het huwelijk, in de gemeenschap. Als partners dit gevolg niet willen, moeten zij daarover afspraken maken. Dat kan door het opstellen van huwelijkse voorwaarden. Hierdoor kan geheel of gedeeltelijk worden afgeweken van het wettelijke stelsel van de algehele gemeenschap van goederen, waardoor een beperkte gemeenschap ontstaat of zelfs elke gemeenschap van goederen wordt uitgesloten.   Het wetsvoorstel De Tweede Kamer heeft op 19 april 2016 ingestemd met het wetsvoorstel beperking gemeenschap van goederen. Het voorstel ligt nu bij de Eerste Kamer.   Indien het wetsvoorstel wet wordt, is het ontstaan van een gemeenschap van goederen niet langer het uitgangspunt. Als u dan trouwt en geen afspraken maakt, ontstaat niet langer een gemeenschap van goederen, maar slechts een beperkte gemeenschap van goederen. Het vermogen, erfenissen en giften van voor het huwelijk vallen dan niet in het gemeenschappelijke vermogen. Die bestanddelen blijven behoren tot het privévermogen. Hierdoor ontstaan dus 3 gescheiden vermogens: het vermogen van voor het huwelijk van beide partners afzonderlijk én het gemeenschappelijke vermogen.   Het wetsvoorstel heeft geen gevolgen voor huwelijken die reeds voltrokken zijn ten tijde van de inwerkingtreding van de wet.   De ondernemer Bent u ondernemer en wilt u niet dat uw onderneming deel gaat uitmaken van het gemeenschappelijk vermogen, dan is het in het huidige stelsel nog van belang om huwelijkse voorwaarden op te (laten) maken. De voorliggende wetswijziging maakt dit straks deels overbodig. Het ondernemingsvermogen dat bestaat ten tijde van het sluiten van het huwelijk, blijft dan privévermogen. Het vermogen dat gedurende het huwelijk wordt opgebouwd, gaat wel deel uitmaken van het gemeenschappelijk vermogen.   Om ook dat deel van het ondernemingsvermogen buiten de gemeenschap te houden, is het van belang tijdig goede afspraken te maken en vast te leggen. Het hebben van gescheiden vermogens vergt ook een duidelijk gescheiden administratie. Doet u dit niet, dan loopt u het risico dat de privévermogens alsnog als gemeenschappelijk vermogen worden aangemerkt, hetgeen in geval van een echtscheiding tot onaangename verrassingen kan leiden. Het voeren van een gescheiden administratie is ook gewenst voor het geval zakelijke schuldeisers zich trachten te verhalen op het privévermogen van uw partner.   Heeft u trouwplannen? Wordt het wetsvoorstel aangenomen, dan wijzigt het wettelijk uitgangspunt van het huwelijksgoederenregime dus naar een beperkte gemeenschap van goederen. Heeft u trouwplannen en wilt u weten wat de gevolgen van deze wetswijziging voor u zijn of bent u ondernemer en wilt u de zaken tijdig goed geregeld hebben, neem dan contact met ons op!

 

 

Lees verder

Van zwart naar wit!

29.06.2016 | Jeroen Aalberts - 0 reactie(s)

 

De Belastingdienst kan weinig begrip opbrengen voor belastingplichtigen die zwart geld aanhouden in het buitenland. Zeker wanneer het gaat om buitenlandse bankrekeningen die worden aangehouden met het doel om de Belastingdienst het zicht te ontnemen op (het ontstaan van) deze rekeningen en de inkomsten hierop. Belastingplichtigen riskeren hiermee dan ook forse boetes.   Informatie inwinnen Wat als de Belastingdienst slechts een vermoeden heeft dat de belastingplichtige beschikt over buitenlandse bankrekeningen? Dan mag daarnaar worden gevraagd, mits de Belastingdienst voldoende aanknopingspunten heeft om te veronderstellen dat deze rekeningen daadwerkelijk bestaan. De Belastingdienst heeft weliswaar een ruime bevoegdheid om informatie in te winnen, maar deze is niet onbegrensd. Een “fishing expedition” waarbij de Belastingdienst vragen stelt onder het mom van ‘niet geschoten is altijd mis’, is niet toegestaan.   Omkering bewijslast Als de Belastingdienst van mening is dat een belastingplichtige onvoldoende meewerkt aan de beantwoording van vragen die betrekking hebben op (vermeende) buitenlandse banktegoeden, zal de Belastingdienst een zogenoemde informatiebeschikking afgeven. Hierdoor wordt de belastingplichtige in een lastige bewijspositie gebracht (omkering bewijslast). Deze heeft dan in beginsel geen andere keus dan de informatiebeschikking aan te vechten. In de procedure die dan volgt, zal de Belastingdienst duidelijk moeten maken dat géén sprake is van fishing expedition. De belastingplichtige zal de rechter ervan moeten zien te overtuigen dat hij geen informatie heeft achtergehouden.   De inkeerregeling We zien dat het bankgeheim steeds verder afbrokkelt. In toenemende mate vindt gegevensuitwisseling met het buitenland plaats. Veel belastingplichtigen met verzwegen buitenlandse bankrekeningen kiezen dan ook eieren voor hun geld door gebruik te maken van de inkeerregeling. Deze biedt de mogelijkheid om alsnog aangifte te doen of eerder gedane aangiften vrijwillig te verbeteren. Inkeren kan zolang de Belastingdienst de buitenlandse bankrekeningen niet zelf al op het spoor is en geldt als een strafverminderende omstandigheid bij het opleggen van een vergrijpboete.   Wijziging per 1 juli 2016 Bij inkeer binnen twee jaar nadat ten onrechte geen of een onjuiste aangifte is gedaan ten aanzien van buitenlandse bankrekeningen, wordt de vergrijpboete gematigd tot nihil. Bij inkeer na deze twee jaar, bedraagt de vergrijpboete 60% van het alsnog verschuldigde, per 1 juli 2016 is dit verhoogd naar 120%. Bij inkeer gaat het overigens niet zelden alleen om de vermogensrendementsheffing van Box 3. Afhankelijk van de herkomst van het zwarte geld kan onder bepaalde omstandigheden ook een navordering van inkomstenbelasting in Box 1 of erfbelasting op de loer liggen. Een goede begeleiding bij de inkeer is dan ook onontbeerlijk. Neem contact op met onze specialisten voor meer advies rondom buitenlandse bankrekeningen. 

 

 

Lees verder

Prachtige hardloopbestemmingen

29.06.2016 | Mike Timmer - 1 reactie(s)

 

De zomervakantie staat voor de deur en dat betekent naast de nodige ontspanning ook meer dan genoeg tijd voor sportieve activiteiten. Wij zijn het hele jaar door aan het trainen voor verschillende hardloopwedstrijden in Nederland, zo ook voor het jaarlijks terugkerende BAX2Give evenement. Op zoek naar afwisseling? Met een top 3 van leukste hardloopsteden in Europa hopen wij een bijdrage te kunnen leveren aan uw sportieve activiteiten deze zomer.   Barcelona De boulevard van Barcelona is dankzij de vlakte meer dan geschikt voor een hardloopsessie. In de vroege ochtend, zodat de hitte nog niet overweldigend is, genietend van een prachtig uitzicht over de zee, wordt hardlopen niet alleen presteren maar ook genieten. Een echte aanrader!   Londen Londen lijkt misschien niet de meest geschikte locatie vanwege de drukte, maar een hardloopronde langs de Theems is zeker een aanrader. Ook Hyde Park staat hoog op het lijstje. Op zoek naar uitdaging? Kies dan voor de heuvels in Greenwich Park!   Amsterdam Deze zomer een vakantie in Nederland gepland? Amsterdam is druk bezig met het verbeteren van de hardlooproutes. Door middel van gekleurde ‘punaises’ op de grond kunnen sportievelingen zelf de gewenste afstand kiezen. De perfecte gelegenheid om eens meer te zien van de stad dan alleen de toeristische plekken.   Het team van BAX advocaten belastingkundigen wenst u een prachtige en sportieve zomervakantie!

 

 

Lees verder

Nieuwe regeling verzekeringsplicht DGA

10.05.2016 | Arjen Drent - 0 reactie(s)

 

Per 1 januari 2016 heeft de nieuwe Regeling Aanwijzing Directeur-grootaandeelhouder, de sinds 1997 geldende ministeriële regeling, vervangen. Deze regeling bepaalt wanneer statutaire bestuurders van een N.V., B.V. of een naar buitenlands recht opgerichte vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal, als directeur-grootaandeelhouder (DGA) worden beschouwd. Een DGA is niet premieplichtig voor de werknemersverzekeringen, maar heeft ook geen recht op eventuele uitkering van de werknemersverzekeringen (ZW, WIA, WW, WAO).    WAT BETEKENT DE NIEUWE REGELING? De noodzaak van de nieuwe regeling was de introductie van de Flex-B.V. op 1 oktober 2012. De regeling gaat er vanuit dat er geen reële gezagsverhouding is tussen de vennootschap en haar bestuurder, als de bestuurder zelf doorslaggevend over zijn ontslag kan besluiten. Wanneer een bestuurder niet in een ondergeschikte positie verkeert, is er geen sprake van werknemerschap voor de werknemersverzekeringen en is de bestuurder niet premieplichtig. De aanwezigheid van een gezagsverhouding is, net zoals bij de oude regelgeving, doorslaggevend.   BAX heeft de belangrijkste criteria voor het bepalen van de DGA voor u op een rij gezet. Onder een DGA wordt verstaan:   a) een bestuurder die, al dan niet tezamen met zijn echtgenoot, houder is van een zodanig aantal aandelen, dat hij op grond van de statuten over zijn eigen ontslag kan besluiten; b) een bestuurder die, tezamen met bloed- en aanverwanten tot en met de derde graad, al dan niet tezamen met zijn echtgenoot, houder is van aandelen die ten minste twee derde van de stemmen vertegenwoordigen, zodat hij over zijn ontslag kan besluiten; c) een bestuurder die een zodanige zeggenschap heeft, door tussenkomst van een rechtspersoon waarvan hij bestuurder is of door een vennootschap waarvan hij aandelen houdt, dat hij hierdoor doorslaggevend over zijn ontslag kan besluiten. De relatie tot de bloed- en aanverwanten is hierop eveneens van toepassing; d) bestuurders die samen alle aandelen van de vennootschap bezitten en als aandeelhouders een gelijk of nagenoeg gelijk deel van het kapitaal van de vennootschap vertegenwoordigen. Deze regeling geldt ook voor de middellijk gehouden aandelen door tussenkomst van een rechtspersoon waarvan hij bestuurder is of door tussenkomst van een vennootschap waarvan hij aandelen houdt (nevengeschiktheid).   WAT IS HET VERSCHIL MET DE OUDE SITUATIE? BAX heeft het verschil tussen de oude en de nieuwe regeling voor u samengevat.   In de nieuwe regeling heeft een bestuurder niet langer de mogelijkheid om bij het UWV aan te tonen dat er sprake is van ondergeschiktheid. De toepasselijkheid van de regeling op de indirect bestuurde is uitgebreid ten opzichte van de oude regeling, waardoor er minder snel sprake is van premieplicht. Voor de onder a), b) en c) genoemde criteria is het begrip ‘echtgenoot’ gewijzigd nu de geregistreerde partner ook onder dit begrip valt. Voor de nieuwe regeling telt het aandelenbezit van de bestuurder mee voor beantwoording van de vraag of ten minste twee derde van de stemrechten binnen de familiekring worden gehouden (zie criterium b). Dit was in de oude regeling volgens de Hoge Raad niet het geval.  Voor het criterium onder d) (nevengeschiktheid) is onder de nieuwe regeling vereist dat de bestuurders gezamenlijk alle aandelen in de vennootschap bezitten.   NIEUWE BEOORDELING ARBEIDSVERHOUDING De nieuwe regels gelden per 1 januari 2016 omdat de regeling op diverse punten afwijkt van de oude regeling en is ingevoerd zonder te voorzien in overgangsrecht. Vanwege de genoemde afwijkingen in de regeling zal de arbeidsverhouding van de DGA opnieuw beoordeeld moeten worden. In het bijzonder geldt dat voor de gevallen waarin:   bestuurders louter op grond van de uitspraak van de Hoge Raad premieplichtig zijn; een bestuurder op zijn verzoek door het UWV niet als DGA is aangemerkt; via een houdster- of management B.V. werkzaamheden worden verricht voor werkmaatschappijen; sprake is van een gespreid aandelenbezit; er een meewerkende partner is; de aandelen zijn gecertificeerd; er meewerkende familieleden zijn van bestuurder.   TERUGGAVE VAN PREMIE Wanneer de nieuwe regeling de situatie heeft gewijzigd, waardoor de premieplicht per 1 januari 2016 is komen te vervallen, zijn de premies niet langer verschuldigd. Eventueel ten onrechte ingehouden en afgedragen premies kunnen bij de Belastingdienst worden teruggevraagd. VOOR AL UW VRAGEN EEN CONCREET ADVIES   Mocht u als statutair bestuurder nog niet aan een herbeoordeling zijn toegekomen, zijn er ten onrechte premies ingehouden en afgedragen of bent u benieuwd naar uw mogelijkheden met betrekking tot de premieplicht? Neem dan gerust contact op met onze specialisten Arjen Drent of mr. Jeroen Aalberts. Wij voorzien u graag van een concreet advies. 

 

 

Lees verder

Het einde van de VAR: opdrachtgevers opgepast!

10.05.2016 | Melissa Meffert - 0 reactie(s)

 

Het is er – na lange tijd en de nodige kritiek – per 1 mei 2016 dan toch van gekomen, de Verklaring Arbeidsrelatie (“VAR”) is niet langer geldig. Op 2 februari 2016 heeft ook de Eerste Kamer groen licht gegeven voor de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (“Wet DBA”). Daardoor gaat het huidige systeem voor de (fiscale) kwalificatie van de arbeidsrelatie tussen opdrachtgever en opdrachtnemer door middel van de VAR op de schop.     INHOUDINGS- EN PREMIEPLICHT   In het fiscaal recht en het sociale zekerheidsrecht wordt onderscheid gemaakt tussen zelfstandigen en werknemers. Dit onderscheid is van belang voor het antwoord op de vraag of er sprake is van een inhoudings- en premieplicht voor de loonheffingen en een verzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen.   DE ZEKERHEID VAN DE VAR Op basis van de oude wetgeving kon de opdrachtnemer een VAR aanvragen bij de Belastingdienst, waarmee gedurende 1 jaar zekerheid werd verkregen over de fiscale status van de inkomsten, die voortvloeiden uit de arbeidsrelatie tussen een opdrachtgever en opdrachtnemer.   Wanneer de opdrachtnemer in het bezit was van een VAR – winst uit onderneming (“VAR WUO”) had de opdrachtgever de zekerheid dat hij geen loonheffing en sociale premies in hoefde te houden. Ook als achteraf bleek dat de VAR WUO ten onrechte was afgegeven (met uitzondering van fraude). De opdrachtgever was, met een VAR WUO van de opdrachtnemer, gevrijwaard van mogelijke naheffingsaanslagen. De Belastingdienst kon zich alleen op de opdrachtnemer verhalen. De opdrachtgever bleef buiten schot. De Wet DBA brengt hier verandering in.   VERANTWOORDELIJKHEID IN BALANS Met de Wet DBA is de verantwoordelijkheid van de opdrachtnemer en opdrachtgever bij het beoordelen van hun arbeidsrelatie in balans gebracht. De opdrachtgever is nu ook verantwoordelijk, waarmee de handhavingsmogelijkheden worden verbeterd en schijnzelfstandigheid kan worden teruggedrongen.   Op basis van de Wet DBA wordt gewerkt met vooraf beoordeelde (model-)overeenkomsten. Opdrachtgever en opdrachtnemer kunnen gebruik maken van een modelovereenkomst van de Belastingdienst, waarvan reeds is geoordeeld dat er géén sprake is van een dienstbetrekking. Ook kan er een eigen overeenkomst ter beoordeling aan de Belastingdienst worden voorgelegd. Deze regeling beoogt partijen op voorhand zekerheid te verschaffen over de (fiscale) kwalificatie van de samenwerking.   VERRICHTE ARBEID Als partijen gebruik maken van een goedgekeurde (model-)overeenkomst staat vast dat de arbeidsverhouding tussen partijen géén dienstbetrekking voor de loonheffingen inhoudt, zodat de opdrachtgever gedurende een periode van 5 jaar geen loonheffingen en sociale premies hoeft af te dragen. Het is daarbij wel van groot belang, dat de arbeid conform de goedgekeurde overeenkomst wordt verricht. Indien de Belastingdienst constateert dat dit niet het geval is, kunnen zowel de opdrachtnemer als de opdrachtgever alsnog worden aangesproken tot afdracht van loonheffing en sociale premies.   OPDRACHTGEVERS NIET LANGER GEVRIJWAARD De goedgekeurde (model-)overeenkomst heeft – in tegenstelling tot een VAR WUO – géén vrijwarende werking voor de opdrachtgever. Het risico op naheffing ligt niet meer uitsluitend bij de opdrachtnemer, maar ook bij de opdrachtgever. Om naheffingsaanslagen te voorkomen, zal de opdrachtgever er dan ook op moeten toezien dat er conform de goedgekeurde overeenkomst wordt gehandeld.   OVERGANGSPERIODE Om partijen de tijd te geven zich aan te passen aan de nieuwe wetgeving, geldt er van 1 mei 2016 tot 1 mei 2017 een overgangsperiode. De Belastingdienst zal in die periode wel toezicht houden, maar terughoudend handhaven en zo nodig waarschuwingen geven. Daarnaast heeft de Belastingdienst een handreiking gepubliceerd, waarin het beoordelingskader van de Wet DBA uiteengezet wordt.   WIJ HELPEN U GRAAG! Wilt u meer weten over de (gevolgen van de) Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties en ervoor zorgen dat u tijdig en goed op de nieuwe wetgeving bent voorbereid, dan kunt u contact opnemen met één van de specialisten arbeidsrecht van BAX advocaten belastingkundigen: mr. Melissa Meffert, mr. Mike Timmer of mr. Vincent Jongerius.

 

 

Lees verder

Vraag juridisch advies en communiceer!

10.05.2016 | Mike Timmer - 0 reactie(s)

 

De rechtbank Zeeland-West-Brabant was in haar vonnis van 8 maart 2016 zeer duidelijk. Een directeur groot aandeelhouder (DGA) is aansprakelijk voor openstaande belastingschulden (alsmede de boetes, rente en kosten) als de DGA wel zijn eigen salaris betaalt, maar de belastingschuld van de onderneming niet voldoet en verder laat oplopen. Daarbij vond de rechtbank dat het niet van belang was of er al dan niet een melding van betalingsonmacht was gedaan. Aan de hand van de volgende zaak geven wij u graag uitleg over dit vonnis.   DE AANSPRAKELIJKHEID VAN DE DGA   De DGA was bestuurder van twee ondernemingen die sinds 2007 een fiscale eenheid vormden voor de omzetbelasting (BTW). Toen één van de ondernemingen failliet werd verklaard, werd de fiscale eenheid in 2013 doorbroken. Vervolgens werden vijf naheffingsaanslagen BTW aan de fiscale eenheid opgelegd over de periode van 2011 tot en met 2013. De naheffingsaanslagen bleven onbetaald. De inspecteur stelde de DGA van de niet gefailleerde onderneming daarom aansprakelijk voor de naheffingsaanslagen, inclusief de boete c.a.   OP NAAR DE RECHTER Omdat de DGA het niet eens was met deze aansprakelijkheid, stapte hij naar de rechter. Daar stelde hij dat de failliete onderneming schuldig was aan het ontstaan van de belastingschuld. Bovendien vond hij het bedrag waarvoor hij aansprakelijk gesteld was te hoog en zou de inspecteur ten onrechte geen rekening hebben gehouden met de melding betalingsonmacht.   Volgens de rechter was dat alles in het geheel niet relevant. De DGA was tijdens het ontstaan van de belastingschulden bestuurder van de gefailleerde onderneming en bovendien was gebleken dat de DGA steeds het hem toekomende salaris had ontvangen, terwijl de BTW schuld opliep. De rechter vond dat de DGA er als bestuurder van de onderneming voor had moeten zorgen dat de belastingen tijdig betaald werden.   VOORKOM VERVELENDE SITUATIES Als uw onderneming in zwaar weer verkeert, is het van belang om tijdig juridisch advies in te winnen. Feitelijke gedragingen van de bestuurder (kort) voorafgaand aan het faillissement worden immers logischerwijze door de curator in volle omvang getoetst. Dit betekent onder andere dat de bestuurder zijn eigen belangen niet boven de belangen van schuldeisers mag stellen en dat hij in het belang van de onderneming heeft te ondernemen. VRAAG ADVIES!   Veel gedragingen zullen de toets der kritiek uiteindelijk niet doorstaan. Toch zijn er mogelijkheden om een onderneming uit het zware weer te krijgen. Wilt u graag advies of meer informatie over de mogelijkheden voor uw onderneming? Neem dan contact op met één van onze specialisten ondernemingsrecht: mr. Bjorn Harbers, mr. Vincent Jongerius of mr. Mike Timmer.

 

 

Lees verder

De zorgplicht blijft een zorg

10.05.2016 | Annemieke Wiltink - 0 reactie(s)

 

De zorgplicht van de assurantietussenpersoon blijft voer voor rechters. Ook de Autoriteit Financiële Markten (AFM) bemoeit zich regelmatig met de rechten en plichten van de tussenpersoon. Zo heeft de AFM vorig jaar onderzoek gedaan naar arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, waarbij is gebleken dat adviseurs nog te vaak onzorgvuldig te werk gaan. Vaak bestonden onderzochte adviesdossiers uit niet meer dan een aanvraagformulier van de productaanbieder en voldeden derhalve niet aan de vereisten uit de Wet op het financieel toezicht (Wft).    DE PLICHT VAN DE ASSURANTIETUSSENPERSOON   De kamerstukken verwoorden de plicht van de assurantietussenpersoon als volgt:   “Elke tussenpersoon die zijn beroep goed uitoefent, ongeacht of hij al dan niet de premies int of daarvoor verantwoordelijk is, zal al de door hem gesloten verzekeringen regelmatig toetsen aan de werkelijkheid en daartoe de verzekeringnemers bezoeken; zijn taak is voor de belangen van deze verzekeringnemers te waken en zodoende de vertrouwenspositie die hij behoort in te nemen te bevestigen en te versterken”.   OM WELKE PLICHTEN GAAT HET? In een voor de praktijk nog steeds belangrijk arrest (HR 10 januari 2003, NJ 2003, 375) zijn de volgende “plichten” geformuleerd:   a) de tussenpersoon dient verzekeringnemers tijdig opmerkzaam te maken op gevolgen die aan hem bekend geworden feiten voor dekking onder verzekeringsovereenkomsten kunnen hebben; b) de tussenpersoon dient erop toe te zien dat door of namens verzekeringnemer aan verzekeraars tijdig alle mededelingen worden gedaan, waarvan de tussenpersoon behoort te begrijpen dat die vallen onder de mededelingsplicht in verband met risicoverzwarende omstandigheden; c) de tussenpersoon moet die feiten en omstandigheden meedelen aan de verzekeraar die hem bekend zijn of redelijkerwijze bekend behoren te zijn. Indien de tussenpersoon over een omstandigheid die mogelijk aanleiding kan geven tot een beroep op risicoverzwaring onvoldoende gegevens heeft of er niet van uit mag gaan dat gegevens nog volledig en juist zijn, dient de tussenpersoon daarnaar bij de verzekeringnemer te informeren.   ENKELE SITUATIES UITGELICHT De situatie komt regelmatig aan het licht, zo ook in een arrest van het Gerechtshof Den Haag (7 oktober 2014, gepubliceerd 20 oktober 2015 onder nummer ECLI:NL:GHDHA:2014:3108). Hierbij overwoog het hof dat de tussenpersoon zijn opdrachtgever expliciet dient te wijzen op een belangrijke polisvoorwaarde en de gevolgen van het niet naleven van de voorwaarde. Dit geldt ook wanneer het polisblad de voorwaarden en de gevolgen expliciet beschrijft. Zoals door het hof geformuleerd, is een tussenpersoon door de zorgplicht meer dan louter een “doorgeefluik”.   Dat de zorgplicht van de assurantietussenpersoon nog steeds actueel is en verduidelijking behoeft, blijkt uit een recent arrest (HR 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:336 (X / Aegon c.s.), waarin aan de orde kwam dat de assurantietussenpersoon nader bij zijn cliënt dient te informeren naar de betreffende achtergronden als de tussenpersoon op de hoogte is van een eerdere opzegging van een verzekeraar jegens die cliënt. Dit om hem te waarschuwen voor de gevolgen van het niet, onjuist of onvolledig invullen van een vragenformulier van de verzekeraar.   TIPS VOOR DE ASSURANTIETUSSENPERSOON? Onze belangrijkste tips zijn: ‘vraag door’ en ‘leg vast’. Mocht u als assurantietussenpersoon of als verzekeringnemer te maken hebben met een kwestie waarbij juridische hulp gewenst is, neem dan geheel vrijblijvend contact op met onze specialist verzekeringsrecht mr. Annemieke Wiltink.

 

 

Lees verder

Misstap docent, toch een transitievergoeding?

03.12.2015 | Mike Timmer - 0 reactie(s)

 

Uitspraak rechtbank   Een docent geeft een leerling vooraf de antwoorden van een toets. De werkgever wenst ontbinding van de arbeidsovereenkomst.    De kantonrechter ontbindt deze, maar kent aan de docent wel een transitievergoeding toe. De kantonrechter houdt namelijk rekening met het lange dienstverband van de docent en rekent de docent dus, bij het al dan niet toekennen van de vergoeding althans, niet af op de gedraging. Dat verbaast enigszins omdat de docent geen spijt had van zijn actie, terwijl die naar mijn oordeel wel de kern raakt van de arbeidsrelatie. De werkgever doet er verstandig aan om in hoger beroep te gaan, zodat de toegekende transitievergoeding kan worden aangetast.   De transitievergoeding wordt overigens voorwaardelijk toegekend. De docent kan daarop eerst aanspraak maken in het geval hij niet in aanmerking komt voor de bovenwettelijke WW-uitkering op grond van de toepasselijke CAO.   Hebt u vragen over individuele ontbindingstrajecten met werknemers? Neem dan contact op met Mike Timmer.  

 

Tags: transitievergoeding

 

Lees verder

Opzegging arbeidsovk onbepaalde tijd AOW-pensioen

09.06.2015 | Mike Timmer - 0 reactie(s)

 

Opzegging arbeidsovereenkomst onbepaalde tijd AOW/pensioengerechtigde werknemer: Vanaf 1 juli 2015 geldt dat indien met een oudere werknemer vóór het bereiken van de AOW- of pensioengerechtigde leeftijd een arbeidsovereenkomst is aangegaan, de werkgever de arbeidsovereenkomst kan opzeggen tegen de dag waarop de werknemer de in de AOW bedoelde leeftijd heeft bereikt. Indien voor de werknemer een afwijkende pensioenleeftijd geldt, kan deze opzegging plaatsvinden tegen waarop de werknemer de leeftijd heeft bereikt waarop voor hem recht op pensioen ontstaat. Voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst is vanaf 1 juli as in deze gevallen geen instemming van de werknemer, toestemming van het UWV of ontbinding door de kantonrechter meer nodig. Deze wettelijke opzegmogelijkheid geldt, tenzij schriftelijk anders is overeengekomen.   Ragetlie-regel: Op de hiervoor geschetste situatie, is in beginsel de Ragetlie-regel (artikel 7:667 lid 4 BW) van toepassing. Deze regel is niet van toepassing als de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontbonden door de rechter of rechtsgeldig is opgezegd. Gelet daarop is de huidige werkwijze (tot 1 juli as) dat indien de behoefte bestaat om de arbeidsovereenkomst voor te zetten na het bereiken van de pensioenleeftijd/AOW-leeftijd, de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden. Vanaf 1 juli 2015 is die noodzaak er echter niet meer omdat alsdan geldt dat de Ragetlie-regel evenmin van toepassing is als de opzegging geschiedt op of na de AOW- of pensioengerechtigde leeftijd.   In de laatste zin van de Ragetlie-bepaling wordt opgenomen dat deze regel niet geldt indien de tijdelijke arbeidsovereenkomst een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd opvolgt, welke laatste arbeidsovereenkomst wegens het bereiken van de AOW- of pensioengerechtigde leeftijd door een daartoe strekkend beding is geëindigd. Als de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd door een vooraf overeengekomen pensioenontslagbeding eindigt en wordt opgevolgd door een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, dan eindigt deze dus van rechtswege zonder dat opzegging is vereist. Let op, de aanzegging is wel vereist.   Tijdelijke contracten (wetsvoorstel): In het wetsvoorstel “Werken na de AOW-gerechtigde leeftijd (34.073)” wordt naar verwachting geregeld dat het mogelijk is om AOW-gerechtigde werknemers maximaal 6 tijdelijke contracten te geven binnen een periode van maximaal 48 maanden. Daarmee wordt dus afgeweken van artikel 7:668a BW. Voor de goede orde merk ik op dat de Eerste kamer zich nog moet buigen over dit wetsvoorstel, (thans is men doende met de schriftelijke voorbereiding voor de plenaire behandeling). Als het wetsvoorstel wordt aangenomen, dan zullen de effecten van de wet worden geëvalueerd. Deze evaluatie richt zich op de effecten in de eerste twee jaren na inwerkingtreding van het wetsvoorstel. In ieder geval zal onderzoek worden gedaan naar het antwoord op de vraag of de verkorting van de loondoorbetalingsverplichting bij ziekte leidt tot verdringing op de arbeidsmarkt.   Transitievergoeding: Na 1 juli 2015 dient in beginsel door werkgevers een transitievergoeding te worden betaald aan werknemers van wie de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd. Op deze hoofdregel geldt echter voor oudere werknemers een uitzondering indien het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst geschiedt op of na het bereiken van de AOW- of pensioengerechtigde leeftijd. De transitievergoeding is in die situatie niet verschuldigd.   13 weken loondoorbetalingsverplichting bij ziekte (wetsvoorstel): In het wetsvoorstel “Werken naar AOW” is opgenomen dat aan een zieke werknemer, die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt, maximaal 13 weken het loon moet worden doorbetaald. Eventuele re-integratieverplichtingen voor een zieke werknemer vervallen na 13 weken en het opzegverbod tijdens ziekte is voor de AOW-gerechtigde werknemers teruggebracht naar 13 weken.

 

Tags: opzeggingarbeidsovereenkomst, AOW/pensioen, werknemer

 

Lees verder

WWZ: aanzegverplichting eerste uitspraken

03.06.2015 | Mike Timmer - 0 reactie(s)

 

Sedert 1 januari 2015 geldt een aanzegverplichting (artikel 7:668 BW). Op grond van deze verplichting is de werkgever gehouden om de werknemer, uiterlijk een maand voordat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt, schriftelijk te informeren over het gegeven of de overeenkomst al dan niet zal worden voortgezet. Bij voortzetting dient de werkgever de werknemer overigens over de arbeidsvoorwaarden waaronder de arbeidsovereenkomst wordt voortgezet te informeren. In het geval de werkgever zich niet aan deze aanzegverplichting houdt, is hij een aanzegvergoeding verschuldigd die (maximaal) gelijk is aan het loon voor één maand (maandloon dus niet vermeerderd met bijvoorbeeld vakantiebijslag en andere emolumenten). Zie daaromtrent het Besluit (van 11 december 2014) loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding.   Op 13 mei 2015 is over de aanzegverplichting een tweetal uitspraken verschenen. In de uitspraak van de rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2015:5372) is bepaald dat werkgever de aanzegvergoeding niet verschuldigd is omdat er (nog) geen aanzegverplichting gold. In die kwestie eindigde de arbeidsovereenkomst van werknemer namelijk op 31 januari 2015. Op grond van artikel XXIId van het Overgangsrecht is de aanzegvergoeding eerst verschuldigd in het geval de arbeidsovereenkomst op of na 1 februari 2015 eindigt. In de andere zaak bepaalde de Rechtbank Noord-Nederland (ECLI:NL:RBNNE:2015:2325) dat werkgever de aanzegvergoeding wel is verschuldigd omdat de arbeidsovereenkomst eindigde per 28 februari 2015 en de werknemer niet op voorhand was  geïnformeerd over het feit of de arbeidsovereenkomst al dan niet zou worden voortgezet.   Indien u meer informatie wenst over de WWZ dan kunt u contact opnemen met Mike Timmer (0314 – 37 55 00 of 06 – 39 57 44 14).

 

Tags: WWZ, aanzegverplichting

 

Lees verder

Het arbeidsrecht in beweging: de aanzegtermijn

23.05.2014 | Mike Timmer - 2 reactie(s)

 

De komende weken zullen wij u in een reeks van blogs informeren over de voorgenomen wijzigingen in het arbeidsrecht zoals die volgen uit het wetsvoorstel Wet Werk en Zekerheid. Het wetsvoorstel ligt momenteel bij de Eerste Kamer. De verwachting is dat het eerste deel van de wet al per 1 juli a.s.  in werking treedt.    In dit blog informeren wij u over de aanzegtermijn.     Om de werknemer tijdig duidelijkheid te geven over de vraag of de tijdelijke arbeidsovereenkomst zal worden voortgezet, is voorgesteld om bij afloop van tijdelijke contracten van zes maanden of langer een aanzegtermijn van één maand in acht te nemen.   Uiterlijk 1 maand voordat de arbeidsovereenkomst afloopt, dient de werkgever de werknemer schriftelijk te informeren over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst, alsmede over de voorwaarden waaronder de arbeidsovereenkomst eventueel wordt voortgezet. Bij niet naleving van deze verplichting is de werkgever aan de werknemer een vergoeding verschuldigd gelijk aan het loon voor (het niet in acht genomen gedeelte van) een maand.    De aanzegplicht geldt niet indien de looptijd van de overeenkomst niet kalendermatig bepaalbaar is, zoals bijvoorbeeld bij de duur van een project (mits de looptijd schriftelijk was overeengekomen). Een aanzegplicht geldt evenmin voor een arbeidsovereenkomst die voor korter dan zes maanden is aangegaan.    De aanzegplicht is  niet van toepassing op arbeidsovereenkomsten die eindigen binnen één maand na 1 juli 2014. Voor arbeidsovereenkomsten die reeds voor de inwerkingtreding van de wet tot stand zijn gekomen en eindigen na 1 augustus 2014, geldt de aanzegtermijn al wel.    Wij adviseren werkgevers nadrukkelijk om, vooruitlopend op de wet,  te inventariseren welke arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd eindigen na 31 juli 2014. Administreer dit op correcte wijze zodat werknemers tijdig schriftelijk worden geïnformeerd over een mogelijke voortzetting van het dienstverband.     Wilt u meer informatie over het wetsvoorstel en de gevolgen hiervan voor u, dan kunt u contact opnemen met BAX advocaten belastingkundigen.

 

Tags: Bax, Arbeidsrecht, MikeTimmer, aanzegtermijn

 

Lees verder

Reorganisatie rechtbanken en gerechtshoven

04.02.2013 | Manon Engbers - 1 reactie(s)

 

Reorganisatie rechtbanken en gerechtshoven Op 1 januari 2013 is de wet Herziening Gerechtelijke Kaart ingevoerd. Met de nieuwe indeling van gerechterlijk Nederland is er het een en ander veranderd. Bijvoorbeeld bij welke locatie van een gerecht u terecht kunt met een bepaald soort rechtszaak. Of bij welke afdeling van een gerecht u documenten kunt indienen voor de behandeling van uw rechtszaak. http://www.rechtspraak.nl/Recht-In-Nederland/Rechterlijke-indeling-Nederland/Pages/default.aspx Bron: www.rechtspraak.nl  

 

Tags: wet, herzieninggerechtelijkekaart

 

Lees verder

Nederlands rechtssysteem in de wereldtop

13.12.2012 | Linda Hauwert - 0 reactie(s)

 

Onderzoek door The World Justice Project gepubliceerd:  "Nederlands rechtssysteem in de wereldtop".   Zie: www.rechtspraak.nl   Nederlands rechtssysteem in de wereldtop   Den Haag  , 29-11-2012    Het Nederlandse rechtssysteem behoort tot de best functionerende en meest democratische ter wereld. Dit blijkt uit de op 28 oktober verschenen Rule of Law Index, een wereldwijde vergelijking van 97 nationale rechtsstelsels door non-profit organisatie The World Justice Project (WJP). Nederland scoort in de index extra hoog op het functioneren van het civiele recht en de transparantie van de regering. Op beide onderdelen eindigt Nederland als tweede van de 97 rechtsstelsels.   Pluspunten The World Justice Project neemt jaarlijks een groot aantal landen de maat op een achttal aspecten van de rechtstaat, zoals de afwezigheid van corruptie en het functioneren van het strafrecht. Op alle acht onderdelen van de index scoort Nederland bij de beste vijftien landen. Daarmee doet Nederland het beter dan veel West-Europese en Noord-Amerikaanse landen. Alleen de rechtstaat van de Scandinavische landen werkt iets beter. Pluspunten van Nederland zijn onder meer de duidelijke en effectieve wetten, de goede toegankelijkheid van het recht en de onafhankelijkheid van de rechters.

 

Tags: Nederlandsrechtssysteemwereldtop

 

Lees verder

De nieuwe wet incassokosten

12.11.2012 | Linda Hauwert - 0 reactie(s)

 

De nieuwe wet incassokosten. Wat betekent het voor u?   Op 1 juli 2012 is de wet Normering buitengerechtelijke incassokosten in werking getreden. Vóór 1 juli 2012 brachten veel incassobureaus naast incassokosten eveneens andere bijkomende kosten zoals administratiekosten en storneringskosten in rekening bij de schuldenaar. Dit is, met de komst van de nieuwe wet, niet meer toegestaan. Wat betekent deze nieuwe wet voor u?   Met de nieuwe wet is de hoogte van de incassokosten vastgelegd. De hoogte van de incassokosten is afhankelijk van het te vorderen factuurbedrag. Er is een vaste staffel opgesteld. Aan de hand van percentages over de hoofdsom worden de incassokosten berekend. Overigens zijn er in de staffel minimum- en maximumbedragen vastgelegd. Minimaal mag er € 40,00 aan incassokosten in rekening worden gebracht bij de schuldenaar en maximaal een bedrag van € 6.775,00. De rechter heeft, in tegenstelling tot voor 1 juli 2012, geen matigingsbevoegdheid ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten. Dit betekent dat de rechter de hoogte van de incassokosten voortaan niet meer mag verminderen.   Als de oorspronkelijke betalingstermijn is verstreken, moet door de crediteur eerst een kosteloze herinnering aan de debiteur worden verzonden; de zogenaamde ’14-dagen brief’. Incassokosten zijn pas verschuldigd nadat de debiteur in verzuim is en de schuldenaar daaropvolgend een 14-dagenbrief heeft ontvangen, In deze 14-dagenbrief moeten in ieder geval de hoofdsom, de hoogte van de incassokosten en een betalingstermijn van 14 dagen genoemd worden. Worden de incassokosten niet in deze brief genoemd, dan kan er later, in beginsel, geen aanspraak meer op worden gemaakt.   De nieuwe wet maakt een onderscheid tussen consumenten en bedrijven. Van de wet kan niet in het nadeel van de particuliere schuldenaar worden afgeweken. Bedrijven mogen onderling wel afwijkende afspraken maken in bijvoorbeeld de algemene voorwaarden. Zijn er geen afspraken gemaakt dan geldt ook tussen bedrijven de nieuwe wet.   Door de nieuwe wet zijn artikelen opgenomen in de algemene voorwaarden over incassokosten vaak niet meer correct. Het is raadzaam om uw algemene voorwaarden op dit onderdeel te (laten) controleren en waar nodig aan te (laten) passen.   Wilt u meer informatie over de wet en de gevolgen van de wet voor uw onderneming of wilt u de algemene voorwaarden van uw onderneming laten controleren, dan kunt u contact opnemen met BAX advocaten belastingkundigen.

 

Tags: incassokosten, nieuwewetincassokosten

 

Lees verder

BAX verhuist naar nieuw pand

18.10.2012 | Mike Timmer - 0 reactie(s)

 

De beslissing was snel genomen. Toen we in 2011 hoorden dat het naastgelegen grotere pand aan de Edisonstraat 86-88 beschikbaar kwam, hoefden we met de vier maatschapsleden niet lang na te denken. We hebben die kans met twee handen aangepakt. De verhuizing levert een vloeroppervlakwinst op van maar liefst 400 m2. Daarmee kunnen we de groeiaspiraties in de regio Gelderland waarmaken en onze dienstverlening verder uitbouwen. Een goede buur Vanuit mijn werkkamer in het oude pand kon ik de werkzaamheden aan het nieuwe pand goed volgen. Dat was prettig. Het is immers altijd spannend, zo’n verbouwing. Na werktijd ging ik altijd even kijken om de vorderingen te beoordelen. Het nieuwe onderkomen is grondig aangepakt naar ontwerp van Maas Architecten uit Lochem. Het eindresultaat voldoet in alle opzichten aan de eisen en wensen van deze tijd. Het is modern en functioneel. Met recht een goede plek om te werken. Nieuwe huisstijl We hebben er bewust voor gekozen, om gelijktijdig met de verhuizing, onze nieuwe huisstijl te introduceren. Ons imago verdiende een oppepper. Het oude logo had te lang dienst gedaan. De tijden zijn veranderd en daar gaan we natuurlijk in mee. LOGISZ fullservice markteting-reclamebureau uit Doetinchem is verantwoordelijk voor het ontwerp en de uitvoering. Logo met betekenis Kijk goed en je ziet het: de letter A in het beeldmerk staat symbool voor de toga met bef. Het benadrukt de waardigheid van ons ambt. Om het logo een ambitieuze lading te geven, is gekozen voor de steunkleur magenta; deze kleur vertegenwoordigt de basis om ambities waar te maken. Pay-off: uw rechterhanden Bij BAX advocaten belastingkundigen laten we ‘de zaak’ niet mislukken. Wij hebben rechterhanden en daarmee kun je elke klus klaren. Zeg nou zelf? Hebt u liever iemand met linkerhanden of met rechterhanden? Bovendien verwijst de pay-off naar ‘werken met recht’. Bij BAX advocaten belastingkundigen werken we op twee rechtsgebieden: fiscaal en juridisch recht. Dat is de meerwaarde van BAX advocaten belastingkundigen. De toekomst Ons team is klaar voor de toekomst. We genieten van onze nieuwe ruimtes. Alles staat fris in de verf. Het ruikt naar ‘nieuw’. Kom gauw een keer langs om ons nieuwe kantoor te bekijken. We leiden u graag rond.

 

Tags: Blog

 

Lees verder

Op de hoogte blijven?

Op de hoogte blijven?

Onze advocaten en belastingkundigen informeren u graag over actuele ontwikkelingen op het gebied van recht en jurisprudentie.

Lees ons nieuws

Medewerkers ontmoeten

Medewerkers ontmoeten

De interne samenwerking tussen dertien advocaten, drie fiscaaljuristen en een team van stafmedewerkers is uniek in de Achterhoek.

Medewerkers

Te-recht. Ter zake. tezamen.

Heeft u een vraag? Neem direct contact op met één van onze specialisten.

 

Contact opnemen